‘Ik denk dat het virus vaak gaat terugkomen’
Jaap van Dissel, directeur infectieziektenbestrijding RIVM Al maanden levert wetenschapper Jaap van Dissel het kabinet de ‘heilige adviezen’ over het coronavirus. Van mondkapjes moet hij weinig hebben.
Pim van den DoolJeroen Wester
8 mei 2020 om 21:44
Leestijd 5 minuten

De vrouw met een mondkapje met bloemetjespatroon komt direct op hem af als hij het pand van de Tweede Kamer verlaat. Ze is moeilijk verstaanbaar. Of ze mijnheer Van Dissel wat mag vragen. De directeur infectieziektebestrijding van het RIVM stemt vriendelijk in terwijl hij rustig doorloopt. Er vallen doden in de zorg, het is er onveilig, zegt ze. „De richtlijnen moeten worden aangepast. Wilt u dat meenemen?” Als een doorgewinterd politicus wikkelt hij de ontmoeting af. „Wij zullen ernaar kijken mevrouw.”

Van Dissel – gesteven wit overhemd, geen das – wordt op straat herkend. De belangrijkste adviseur van het kabinet bij de coronabestrijding – iedere zondag is hij voor overleg op het Catshuis bij premier Rutte (VVD) – is binnen een paar maanden een BN’er geworden. En dat vindt hij „vervelend”. „Maar daar kan ik verder weinig aan veranderen.”

Jaap van Dissel is door het kabinet op een voetstuk geplaatst. Hij is de voorzitter van het Outbreak Management Team (OMT), het team van deskundigen dat over de crisisbestrijding adviseert. Rutte noemde die adviezen heilig. Van Dissel begrijpt dat. „Mijn rol is helder. Ik ben voorzitter van het OMT, daar zitten soms wel veertig man in. Het gaat niet om mij als persoon. Het gaat erom de mening van het OMT over het voetlicht te brengen. In het begin van een uitbraak moet je kunnen varen op mensen die verstand hebben van infectieziektenbestrijding. Tegelijk ben ik de eerste om te zien dat als je eenmaal die hobbel genomen hebt, het zo snel mogelijk terug moet naar hoe het moet zijn, namelijk dat de politiek leidend is.”

Nee, hij heeft geen politieke ambities, bezweert hij hard lachend. „Ik vind het interessant om te adviseren over de verbinding tussen wetenschap en beleid. Anders zat ik niet op de plek waar ik nu zit. En daar zit ik prima.”

Afgelopen week kondigde het kabinet een verdere versoepeling van de maatregelen aan. Naast de scholen mogen maandag ook de kappers weer open. En vanaf 1 juni wellicht de terrassen en musea.

Het OMT stelde begin april vijf voorwaarden aan versoepeling. Naast afname van het aantal coronapatiënten op de intensive care, zou het aantal besmettingen flink gedaald moeten zijn, en zou er voldoende moeten kunnen worden getest. Ook de mogelijkheid van grootschalig contactonderzoek was een voorwaarde.

Van Dissel erkent dat nog niet aan al die condities is voldaan, maar relativeert het belang ervan. „Soms krijg je nieuwe inzichten. Op dat moment zagen we het als harde voorwaarden, die stel je dan omdat je hoopt dat ze worden opgepakt. Dat is ook gebeurd. Ik denk dat we redelijk ver zijn, we hebben er uitzicht op dat het goed gaat.”

Het voorkomen van overbelasting van de zorg en het beschermen van kwetsbare groepen staan centraal. Van Dissel is zichtbaar trots op de dalende bezetting op de corona-IC’s. Wonderbaarlijk, zegt hij, hoe de hoofdmodelleur van het RIVM, de aantallen goed voorspelde. De prognose van de piek medio april kwam uit. Eerder dacht het instituut overigens dat die piek pas eind mei zou komen.

Maar het beschermen van de kwetsbaren, met name de ouderen, is dat wel goed gegaan? Het virus woekerde in verpleeghuizen. Van Dissel is nog niet toe aan conclusies. „Ik vind dat te kort dag. De verpleeghuizen zijn een apart probleem gebleken, de vraag is of dat oplosbaar was. Je zag eigenlijk in alle Europese landen veel sterfgevallen in verpleeghuizen. Dus het is de vraag wat daaraan te voorkomen was.”

Lees ook: Van Dissel onderbouwt het beleid met feiten en twijfel
Is het een fout geweest dat koorts een belangrijke voorwaarde was voor testen, terwijl oudere Covid-patiënten vaak geen koorts ontwikkelen? Van Dissel wil er niet aan. We weten nog niet eens wie de infecties de verpleeghuizen binnenbracht, zegt hij. „Daar heb ik nog geen studie naar gezien.” Hij stelt dat het OMT niet alleen verantwoordelijk was. „De verschillende sectoren hebben hun eigen protocollen.”

Zweden lijkt met veel minder opsluiting vergelijkbare resultaten te boeken. Was dat achteraf gezien niet beter geweest?
„Nee, dan waren we overrompeld. Dan waren onze IC’s echt overstroomd. In Zweden is de ontwikkeling van het aantal besmettingen veel geleidelijker verlopen, zonder die boost van het carnaval die wij hebben gehad.”

Er ontstond in maart onrust over uw uitspraak dat we het virus beheerst moesten laten ‘rondwaren’.
„Het virus is er gewoon. Dan wordt het semantiek. Het is niet een virus dat je op korte termijn kwijtraakt in een land als Nederland, met zoveel internationale contacten. Ik denk dat het virus zo breed verspreid is, dat het vaak weer gaat terugkomen.”

Kunnen we nu zeggen dat de uitbraak ten einde is?
„Nee, natuurlijk niet. We hebben nu de eerste fase opgevangen, nu gaat het erom hoe je dat voortzet.”

De afweging voor een ‘mildere’ lockdown betekent dat er meer mensen gaan overlijden. Zijn daar taxaties van?
„Nee, want voor sterfte moet je afwachten wat er precies gebeurt, het hangt af van welk deel van de bevolking getroffen wordt. In een land waar 80 procent onder de twintig is, zoals in ontwikkelingslanden, heb je een heel ander perspectief dan wanneer je een vergrijsde populatie hebt.”

Vanuit de wetenschap is er kritiek dat het onduidelijk is op welke studies het OMT zich baseert. Onzin, vindt Van Dissel. „Al die wetenschappelijke publicaties kunt u gewoon terugvinden. Die staan allemaal op Pubmed [een medisch-wetenschappelijke website, red.]. Als je daar zoekt op ‘face mask’ en ‘influenza’, dan krijg je alles terug waar wij ons op baseren. Dat hoeven wij niet op een presenteerblaadje aan te leveren.”

Begin april riepen wetenschappers het RIVM op meer data en codes van computermodellen met de buitenwereld te delen, in het belang van de wetenschap. Volgens Van Dissel doet het RIVM dat gewoon. Ja, sommige data zijn vertrouwelijk verkregen, die kun je niet met de buitenwereld delen, zegt hij. „Het staat allemaal op internet. Dus weet je, ik denk ook weleens: wat willen jullie nou precies?”

Vooraanstaande vakgenoten zeggen: deel meer data.
„Ik vraag me weleens af: hebben ze daarnaar gezocht? Die infectiemodellen zijn gewoon gepubliceerd.”

Voor het eerst liet Van Dissel zich deze week positief uit over het gebruik van mondkapjes buiten de zorg, verwijzend naar wetenschappelijke inzichten over het psychologische effect: men wordt voorzichtiger bij het zien van mondkapjes bij anderen. Maar hij heeft er zichtbaar moeite mee dat standpunt te verdedigen. Wekenlang hamerde hij op de schijnveiligheid van mondkapjes en het risico dat mensen zich daardoor met een mondkapje juist onzorgvuldiger gaan gedragen. Hij toonde zich ronduit een tegenstander.

Het OMT was al een tijdje verdeeld en komt nu met een neutraal advies: wetenschappelijk gezien is er geen reden mondkapjes te dragen.

Waarom zo’n verzet tegen mondkapjes als er wisselende inzichten over bestaan? Baat het niet, dan schaadt het niet?
„Dat vind ik niet echt wetenschappelijk advies. Dan kun je ik weet niet wat allemaal gaan doen.”

In het kader van veiligheid voorop?
„Onze rol is op basis van wetenschappelijke kennis te adviseren. ‘Baat het niet, dan schaadt het niet’ klinkt meer als beleid.”

‘Niet bewezen’ is toch niet hetzelfde als ‘bewezen dat iets niet werkt’?
„Het gaat om de context. We hebben een anderhalvemetersamenleving. Dan heeft een mondkapje geen meerwaarde. Nu jij weer. Het gaat allemaal om kansen. En hoeveel het gaat toevoegen. Niks dus. En dan is ook nog de vraag of het niet negatief uitwerkt. Dat je half ziek toch maar naar buiten gaat.”

U zegt: een ziek mens hoort niet buiten te zijn. Maar als mensen niet weten dat ze ziek zijn of gewoon eigenwijs zijn, zou een mondkapjesplicht de risico’s toch kunnen verlagen?
„Dat zijn aannames. Dan moet je daar bewijzen voor hebben. Je kunt het ook omdraaien. Kijk naar een land als China. Daar zie ik mensen al heel lang mondkapjes dragen. Is dat een garantie geweest? Daar is de epidemie begonnen. Ik wil het niet omdraaien, maar daaruit blijkt dat mondkapjes ook niet alles zijn.”

We zeggen niet dat mondkapjes zaligmakend zijn. Maar we vragen ons af of ze toch niet kunnen helpen in een breder pakket van maatregelen.
„Dan wil ik u eraan herinneren dat we de besmettingen hebben teruggebracht zonder mondkapjes.”

Misschien had het virus minder gewoekerd mét mondkapjes. Dat weten we toch niet?
„Dat zullen we inderdaad niet weten.”
— Lees op www.nrc.nl/nieuws/2020/05/08/ik-denk-dat-het-virus-vaak-gaat-terugkomen-a3999212