Conclusie na 576 jaar meten: het is te warm in Japan
Klimaatverandering Shinto-priesters in Japan houden al 576 jaar het weer bij. „Het is een winter zonder ijs. Daar maak ik me zorgen over.”
Hanneke Chin-A-Fo
14 februari 2020

Hij heeft het weerbericht heus wel gelezen. Volgens de verwachting wordt het deze winterdag 9 graden. Dat is 19 graden warmer dan Kiyoshi Miyasaka graag ziet. De 69-jarige shinto-priester staat ’s ochtends om half zeven op een glibberig strekdammetje met een thermometer in zijn hand. Praktische sportschoenen onder een grijze priestermantel, zijn even grijze haar wapperend in de wind, die te sterk is naar zijn zin.

Voor hem ligt het meer Suwa, donker in de ochtendschemer, met daarachter de Japanse Alpen. Miyasaka knielt en steekt de thermometer in het golvende water. Naast hem doen twee assistenten hetzelfde met hun thermometers, één digitaal, de ander analoog. Na onderlinge vergelijking noteert de priester de watertemperatuur in een piepklein notitieboekje: 5,7 graden. De lucht is min 0,7 graden.

„Het is te warm en het waait te hard”, is zijn analyse voor de zeven Japanse journalisten die dagelijks meekijken bij dit ritueel. Mocht het onverhoopt min 10 worden, dan gaan zij in verhoogde staat van paraatheid. Want als het drie dagen achtereen min 10 wordt, is er kans op een omiwatari, en dat moet het hele land weten. Dan loopt de regio uit en komen er bussen met toeristen van ver naar Suwa.

Omiwatari betekent ‘het voorbijgaan van de goden’ en slaat op de meanderende richel van kruiend ijs die op het Suwa-meer ontstaat als het hard genoeg vriest. Volgens een eeuwenoude legende ontstaat die richel in de voetsporen van de god Takeminakata als hij het bevroren meer oversteekt om zijn geliefde, de godin Yasakatome te bezoeken.

Het is het 577ste jaar dat de priesters bij het Suwa-meer de staat van het ijs documenteren. Hun geschriften vormen een van de oudste weerarchieven ter wereld. Ze laten onverbiddelijk zien hoe snel de aarde de laatste decennia opwarmt, en wat dat kan betekenen voor een stadje als Suwa (50.000 inwoners).

„Dit is de eerste winter in tien jaar dat er nog helemaal geen ijs is geweest”, zegt priester Miyasaka. „En ja, daar maak ik mij zorgen over.” De zon komt boven de bergen uit. De vissers die de nacht op het meer hebben doorgebracht, varen uit.

Miyasaka is het hoofd van het Tenaga-heiligdom en dertien andere shinto-heiligdommen rond het meer, en als zodanig de hoeder van het omiwatari- archief. Hij kan het niet laten zien, vertelt hij later die ochtend in zijn kantoortje. De boeken te voorschijn halen vereist een ceremonie die niet zomaar even kan worden opgetuigd.

Af en toe moet hij het gesprek onderbreken voor een gebed of om de naam van het heiligdom te kalligraferen in het reisdagboek van een pelgrim. Op zijn laptop laat hij foto’s zien van de geschriften: zeven dikke boeken met handgeschreven notities, vanaf het jaar 1443. In het begin zijn ze vaak beknopt, met bijvoorbeeld alleen het begin en eindpunt van de omiwatari. Vanaf de zeventiende eeuw wordt er meer opgeschreven, ook over overstromingen, droogtes, vulkaanuitbarstingen en hongersnoden.

Priester Kiyoshi Miyasaka bij het ijsloze Suwa-meer.
Foto Issei Kato/Reuters
Excel
Op de laptop voert Miyasaka’s zoon ook de nieuwste temperatuurmetingen in, in een excel-spreadsheet. De priester is blij met deze moderniteit, vooral met de grafiekfunctie. „Kijk maar eens naar deze pieken”, wijst hij naar het scherm. De temperaturen in Suwa liggen deze winter ver boven het gemiddelde.

Dat geldt voor grote delen van Japan. In het nabijgelegen Nagano, waar in 1998 de Olympische Winterspelen werden gehouden, is het nu schrapen om genoeg sneeuw op de pistes te krijgen. Ook de Zomerspelen, in juli in Tokio, staan in het teken van het weer. Met kunstgrepen als zonwerende coating op de trottoirs probeert de stad de verwachte hitte draaglijk te maken.

In Japan is de gemiddelde temperatuur de afgelopen eeuw met ruim 1 graad gestegen, in Suwa zelfs met 2,4 graden. De gevolgen, zo zegt de meteorologische dienst in Tokio, zijn onder andere kleinere oogsten, verblekend koraal in de zuidelijke subtropische zeeën en een grotere verspreiding van ongewenste insecten. En de kans op crisissituaties neemt toe. In 2018 stierven ruim duizend Japanners aan een hittegolf.

Een pagina uit het archief, dat 576 jaar bestaat.
Foto’s Issei Kato/Reuters
Japan is niet meer of minder onderhevig aan klimaatverandering dan andere landen, maar het gaat er op geheel eigen wijze mee om. In een onderzoek van het ministerie van Milieu uit 2015 zegt 60 procent van de ondervraagde Japanners te vrezen dat klimaatmaatregelen de kwaliteit van leven zullen aantasten, tegenover 27 procent in andere geïndustrialiseerde landen.

Japan heeft in Parijs toegezegd zijn CO2-uitstoot in 2030 met 26 procent verlaagd te zullen hebben ten opzichte van 2013. Volgens klimaatactivisten is dit te weinig om de opwarming van de aarde beperkt te houden tot 1,5 à 2 graden. Zij protesteren fel tegen de bouw van 22 nieuwe kolencentrales in Japan in de komende vijf jaar.

Terwijl Japan de komende Olympische Spelen presenteert als een toonbeeld van duurzaamheid, draaiend op hernieuwbare energie, is het ook het enige G7-land dat nog zo actief investeert in nieuwe kolencentrales. Datkan niet anders, zegt de regering, omdat na de kernramp in 2011 in Fukushima nog maar een fractie van de energievoorziening uit kernenergie komt.

Activisten vinden dat het land te weinig vaart maakt met de ontwikkeling van alternatieven.

Lees ook: Hoe het kon dat Nederland nog zo lang kolencentrales bleef bouwen
En ze wijzen erop dat Japan de bouw financiert van kolencentrales in minder rijke Aziatische landen als Indonesië, Vietnam en Bangladesh. Na China is Japan wereldwijd de grootste investeerder in buitenlandse steenkooltechnologie. Dat is niet alleen om armere landen van energie te voorzien. Japan wil met dit soort hulp ook enig tegenwicht bieden aan de Nieuwe Zijderoute, het gigantische infrastructuurprogramma waarmee China de gunst van veel ontwikkelingslanden wint.

Dertien jaar zonder ijs
Rond het Suwa-meer zijn de gevolgen van klimaatverandering goed te merken. Volgens de archieven van priester Miyasaka waren jaren zonder omiwatari vóór de industrialisatie een zeldzaamheid. In de tweede helft van de twintigste eeuw veranderde dat. In vijftig jaar tijd waren er 22 jaren zonder omiwatari, sinds het jaar 2000 waren het er zelfs dertien. Voor de Tweede Wereldoorlog was er vaak 30 tot 40 centimeter ijs, vertelt de priester. „Er zijn militaire oefeningen op het ijs gehouden, en er zijn vliegtuigen op geland.”

De betekenis van het fenomeen is in de loop der eeuwen veranderd, zegt Miyasaka. „Lang geleden waren de mensen bang voor het donderende geluid waarmee het ijs scheurt. Hier moet een heilige macht achter zitten, dachten ze.”

Uit de notities over de omiwatari’s probeerden de omwonende boeren voorspellingen voor de rijstoogst af te leiden. Liep de scheur in het ijs linksom, dan was dat misschien een voorteken van een overstroming, want vorig jaar was het ook zo gegaan. „Ze zorgden voor het meer, omdat ze er ontzag voor hadden en ervan afhankelijk waren”, zegt de priester. „Ze wiedden het onkruid en ruimden hun afval op. Nu de mens denkt de natuur de baas te zijn, is die zorgzaamheid verdwenen.”

Het Suwa-meer is vanaf de jaren vijftig zwaar vervuild geraakt, vooral door lozingen van een misofabriek en van een metaalfabriek. Sinds er een waterzuiveringsinstallatie is gaat het beter, maar nu tast klimaatverandering het meer aan.

Hoogleraar Yuichi Miyabara van de Shinshu Universiteit doet al twintig jaar onderzoek naar het Suwa-meer en ziet al die tijd het zuurstofgehalte van de diepere waterlaag dalen, tot een niveau waarop vissen er niet meer kunnen leven. De temperatuur van het oppervlaktewater stijgt, waardoor het verschil met de bodemlaag zo groot wordt dat de twee niet meer mengen en de zuurstoftoevoer onderin stokt, legt hij uit in zijn kantoor aan de oever van het meer.

„Zoetwatermossels, geliefd bij de mensen hier, komen haast niet meer voor. De vissers vangen bijna alleen nog spierinkjes en kleine garnalen.” In de jaren zestig haalden vissers zo’n 450 ton vis per jaar uit het meer, nu is dat minder dan 30 ton per jaar. Van de 1.200 vissers in de hoogtijdagen zijn er volgens de lokale visserijcoöperatie nog ongeveer dertig actief, allen zestigplussers.

Hoogleraar Miyabara wijdt zijn loopbaan aan het meer, maar hij zwemt er nooit in. „Het is nog altijd te vies.” Dat komt ook doordat regenbuien tegenwoordig heviger zijn. „Daardoor wordt er meer afval van de rivieroevers het meer in gespoeld.”

Vorige zomer heeft hij samen met de gemeente geprobeerd met pompen zuurstofbellen in de onderste waterlaag te blazen, maar dat had geen blijvend effect. „Het meer is te groot en te ondiep. De zuurstof vliegt naar de oppervlakte en dan de lucht in.” Toch probeert hij het in de zomer opnieuw.

Vroeger leerden de kinderen in Suwa schaatsen op het meer.
Foto Issei Kato/Reuters
Kou voelen
Wat doet het eigenlijk met de twee goden, dat ze elkaar minder vaak kunnen zien? Worden ze boos? Priester Miyasaka lacht. „Zo hebben we er nog nooit over nagedacht.” Zelf heeft hij een duidelijke mening over het verdwijnen van de omiwatari. „De winter moet koud zijn. Alleen als we de kou hebben gevoeld, kunnen we blij zijn dat de lente komt.” Het is goed voor de mensen om het brekende ijs te horen en weer onder de indruk te zijn van de natuur, vindt hij.

De priester zal blijven doorgaan met het meten van de temperatuur en het aanvullen van het archief, ook als de omiwatari steeds vaker zal uitblijven. „Ik zie het als een missie om dit gebruik door te geven. Het is belangrijk om de archieven te blijven aanvullen. Dus als er geen omiwatari meer komt, dan ga ik dat bijhouden: het open water.
— Lees op www.nrc.nl/nieuws/2020/02/14/het-oudste-weer-archief-ter-wereld-a3990492