De boer en de politiek
Klem in een onhoudbaar systeem
Al in de jaren zeventig ontstond het besef dat de intensieve landbouw tot een ecologische ramp zou leiden – met minister Sicco Mansholt, ooit dé promotor van grootschaligheid, als grote bekeerling. Maar pas vijftig jaar later is er kans op verandering.

Marcel ten Hooven
11 december 2019 – verschenen in nr. 50

Varketing Group in Lottum is een samenwerking van vijf ondernemers die streven naar meer innovatie en rendement, met oog voor betere levensomstandigheden voor de dieren
© Henk Wildschut
In De Graanrepubliek van Frank Westerman is Boelo Tijdens op een tractor aan het werk op een van de tarwevelden van het familiebedrijf de Stocksterhorn in het Groningse Oldambt. Het land is zo weids en naakt, schrijft Westerman, dat de tractor aan het eind van de kavel achter de horizon is weggezakt. Boelo, 23 dan, logeert een paar weken bij zijn ouders om hen bij te staan in de drukke oogsttijd. In die tijd – het jaar is 1994 – is de prijs van een pond tarwe zo laag dat de bakker meer verdient aan wat hij rekent voor het snijden van het brood dat ervan wordt gemaakt. Mede om die reden heeft Boelo, in Maastricht net afgestudeerd als bedrijfseconoom, twijfels of hij zijn toekomst moet zoeken op de Stocksterhorn, hoezeer hem dat ook aan het hart gaat: de boerderij is al zes generaties in bezit van de familie.

Zijn opa zegt hem: ‘Boelo, doe het niet, begin er niet aan. Maak van de Stocksterhorn geen molensteen om je nek.’ Pas jaren later, ver in de dertig, hakt hij de knoop door. Hij slaat het advies van zijn grootvader in de wind en betrekt met zijn vrouw, een medisch specialiste die hij ontmoette toen hij in Amsterdam woonde, de boerderij.

Hoeveel bewondering hij ook heeft voor het vakmanschap van zijn opa en vader, weet hij: ik wil het anders doen, duurzamer, met meer geduld voor het natuurlijke herstelproces van de grond. Met een deel van zijn landerijen zit Tijdens nu in het proces van omschakeling naar biologische landbouw. Zijn drijfveren zijn voor een deel economisch rationeel, ingegeven door de wens meer waarde toe te voegen aan zijn gewassen – om met oud-minister Cees Veerman te spreken: ‘Als jij goed bent voor je grond, is de grond goed voor jou.’ Maar hij heeft ook een moreel motief: de grond waarop zijn familie al sinds de negentiende eeuw werkt, is nu aan hem toevertrouwd, en hij voelt de verantwoordelijkheid op hem rusten om dit geschenk van de natuur in goede staat aan de volgende generaties door te geven.

Van een leien dakje gaat het niet, dat omschakelingsproces. ‘Het bezorgt me wel de nodige stress, ja’, zegt Tijdens. De verandering van het grondgebruik is een stap in het ongewisse, want hij verruilt de zekerheid van de reguliere landbouw, waarin technische hulpmiddelen als kunstmest en bestrijdingsmiddelen het natuurlijke risico op misoogsten hebben gedecimeerd, voor de onzekerheid van de biologische teelt, die is overgeleverd aan de grillen van de natuur. Voor de bedrijfszekerheid en de groeiambities die hij met de boerderij heeft, is dat een gevaar, en hij weet: heeft hij een foute beslissing genomen, dan teert hij in op het kostbare familiebezit.

Tijdens ondervindt ook nog eens de belemmeringen van een landbouwsysteem dat sinds decennia is ingericht op grootschalig, intensief gebruik van het land en een zo groot mogelijke opbrengst van bulkproducten, als ware de boerderij een fabriek waarin het productieproces zo efficiënt mogelijk is ingericht. In dat systeem regeren de marktwetten.

Het gevolg is dat de bedrijven waarvan de boeren afhankelijk zijn – van de zaadleveranciers en de voederindustrie tot de banken en het grootwinkelbedrijf – als puntje bij paaltje komt hun economische belang boven het ecologische laten prevaleren. Door schaalvergroting en fusies zijn die bedrijven uitgedijd tot multinationals. Tegenover die geconcentreerde macht is de individuele boer geen partij en ook van de overheid, terughoudend met ingrijpen in de markt, hebben die mammoetbedrijven weinig tegenwicht te duchten.

De boeren zitten stevig in de klem van dit landbouwsysteem, ervaart ook Tijdens nu hij probeert zich eruit los te maken, met als gevolg dat de intensieve, geïndustrialiseerde landbouw nog altijd de regel is en de duurzame, ecologisch evenwichtige de uitzondering. Voor wie zich verdiept in een halve eeuw landbouwgeschiedenis is dat toch verwonderlijk.

schrijft de sociaaldemocraat Sicco Mansholt, de politieke wegbereider van het hoogproductieve landbouwsysteem, een brandbrief die zich laat lezen als een impliciete spijtbetuiging voor wat hij heeft aangericht. Mansholt begint dan aan zijn laatste jaar als Eurocommissaris voor de Landbouw, een functie die hij sinds 1958 heeft bekleed na zijn ministerschap in Nederland. De geadresseerde is de voorzitter van de Europese Commissie, de Italiaan Franco Malfatti. Mansholt heeft net kennis genomen van de even prozaïsche als verontrustende computerberekeningen van de Club van Rome over de uitputting van de ecosystemen op de wereld. ‘Ik was ervan ondersteboven’, zou hij Frank Westerman later toevertrouwen. Aan Malfatti schrijft hij over het vernietigende milieueffect en de gezondheidsrisico’s van de pesticiden en insecticiden waarvan de intensieve landbouw afhankelijk is. Hij waarschuwt voor de destructie van de natuurlijke hulpbronnen en dringt erop aan een voorbeeld te stellen: de Europese Gemeenschap moet de landbouw als een ‘gesloten kringloop’ gaan organiseren.

Bijna vijftig jaar later is de kringlooplandbouw voor het eerst het officiële doel van de Nederlandse regering. Als Ewoud Pierhagen, oud-topambtenaar van het Nederlandse ministerie van Landbouw, terugkijkt op deze geschiedenis, zegt hij dan ook: ‘Ongelooflijk, hè, hoe langzaam dat allemaal gaat.’

In zijn tijd kreeg Mansholt geen poot aan de grond bij zijn collega-commissarissen. Sommigen lachten schamper en de Italiaan Altiero Spinelli, commissaris voor de Industrie, vroeg hem: ‘Maar Sicco, je bent toch geen hippie geworden?’

In de halve eeuw nadien heeft Nederland zich opgewerkt tot tweede landbouwexporteur van de wereld, na de Verenigde Staten. De waarde van de Nederlandse agrarische export over 2018 bedroeg negentig miljard euro. Nergens ter wereld is de productie per hectare landbouwgrond zo hoog als hier. Voor de wereldvoedselvoorziening is dat geen slecht nieuws: dat de winkelschappen elke ochtend vol met voedsel liggen, mag in de rijke wereld zo vanzelfsprekend zijn als de zonsopgang, de honger is de wereld nog niet uit. Integendeel, naast het aloude probleem van de onverminderde groei van de wereldbevolking dienen zich nieuwe risico’s op voedseltekorten aan: de toenemende welvaartsvraag uit nieuwe wereldmachten als China, aanwakkerende voedselspeculatie, de groeiende vraag naar biobrandstoffen, klimaatverandering.

De wereldvoedselvoorziening kan een bron van escalerende spanningen en conflicten zijn, waarin economische machtsverhoudingen mede bepalen welke landen voldoende te eten hebben en welke niet. De praktijk van de ‘landroof’ is daarvan een fenomeen. Buitenlandse investeerders, veelal multinationals, kopen uitgestrekte arealen vruchtbare grond op in arme landen met zwakke regeringen, om die te reserveren voor landbouwproductie voor rijke landen. Een vorm van ‘agro-kolonialisme’, deze landgrabbing, in de woorden van de Vlaamse bio-ingenieur Nele Delbecque.

Een ruim voedselaanbod kan die spanning verminderen. Ook in dat licht zijn de prestaties van de hoogproductieve Nederlandse landbouw zo gek nog niet. Een van de lastige dilemma’s die de afwegingen in de landbouwpolitiek zo complex maken, is dat een volledige omschakeling naar biologische landbouw de strijd om grond nog conflictueuzer kan maken: de opbrengst per hectare is in de biolandbouw lager, het risico op misoogsten groter.

Mansholt zag dat dilemma destijds al, blijkt uit de anekdote die de journalist W.L. (‘Boebie’) Brugsma vertelt in zijn in memoriam over de sociaal-democratische politicus. Brugsma nam Mansholt lange interviews af over zijn engagement met de Club van Rome en de milieuramp die hij vreesde. Daaruit groeide een goede vriendschap. Mansholt was eens op bezoek bij het hobbyboerderijtje van de journalist, met een landje vol onkruid eromheen. Brugsma vroeg zijn vriend wat te doen. ‘Spuit’n jong, doodspuit’n’, antwoordde Mansholt tot verbijstering van zijn gastheer. Hij verduidelijkte: ‘Zonder insecticiden en herbiciden gaat de wereldbevolking aan honger te onder.’ Brugsma vroeg nog: en met? Mansholt: ‘Dat zien we dan wel weer. Komt tijd, komt raad.’ Daarna gingen ze het boerderijtje binnen. Brugsma: ‘We namen nog een neut of vier. Sicco was niet zo van de blauwe knoop, zoals andere oude socialisten.’

Sicco Mansholt, 1950
© Sem Presser
De andere kant van het succesverhaal, waarover boeren die prat gaan op hun exportprestaties liever zwijgen, is dat de Nederlandse landbouw ver door de limiet van wat ecologisch verantwoord is heen is geschoten. ‘Onze oude wijze van produceren van voedsel is niet vol te houden’, schrijft minister Carola Schouten aan de Tweede Kamer. Ze acht een ‘omslag in denken en doen’ nodig, van zowel de consumenten als de boeren zelf, de voederindustrie, de banken en de supermarktketens. Eerder zei Schouten in Trouw al dat de voedselproductie verder gaat ‘dan wat de aarde kan geven’.

De ecologische crisis op het platteland lijkt te zijn ontstaan toen de boeren de begrenzing die de natuurlijke herstelcapaciteit van de grond hun oplegt te krap begonnen te vinden. Het gebruik van kunstmest en chemische bestrijdingsmiddelen kun je zien als een methode om die grens op te rekken, met meer zekerheid over een goede oogst en hogere opbrengsten als gunstige gevolgen, maar ook met soms nog ongewisse repercussies voor het natuurlijke evenwicht in de bodem.

In 1971 droegen boeren van haat doordrenkte teksten mee: ‘Hitler roeide de joden uit, Mansholt de boeren’
‘We weten bijna niks van de bodem’, zegt oud-minister en akkerbouwer in ruste Veerman. ‘Wel van de bodemsoorten, maar niet van het bodemleven. Eén handvol grond bevat meer levende organismen dan er mensen op aarde zijn. Dat weten we wel, maar verder nog erg weinig.’ In de NRC hield Coen van Dedem, adviseur van een fonds dat investeert in duurzame voedselketens, minder slagen om de arm over het natuurlijk herstelvermogen van de landbouwgrond als de Nederlandse landbouwers op de oude voet blijven doorgaan: ze kunnen nog zestig keer oogsten en dan is de grond uitgeput.

Twijfels hoeven er evenmin te bestaan over de ecologische crisis en de schade aan de volksgezondheid die de intensieve varkens- en pluimveehouderij veroorzaakt. Dat zijn de agrarische sectoren die zich niets meer gelegen laten liggen aan de grenzen die de grond stelt: zij hebben zich volledig van de grond losgemaakt. Oorspronkelijk waren dit grondgebonden bedrijven. De boer verbouwde op zijn eigen grond de maïs en andere voedergewassen voor zijn dieren en gebruikte hun mest om de bodem jaar op jaar vruchtbaar te houden. Hoeveel varkens of kippen hij hield, hing af van hoeveel grond hij bezat. Dat bepaalde zijn limiet. Dit gemengde bedrijf was welbeschouwd een circulair systeem: de enige energie die van buiten deze kringloop binnenkwam, was de zon die de maïsplanten voedde.

De boer kon zich uit deze kringloop losmaken vanaf het moment dat hij voor spotprijzen voer van elders kon inslaan: de soja die met scheepsladingen tegelijk de Rotterdamse haven binnenkwam, bleek het ideale krachtvoer voor varkens en kippen. Zijn grond had hij eigenlijk niet meer nodig, behalve dan als bouwplek voor megastallen. ‘De varkenshouderij kreeg de vorm van een industriële machine en kwam los te staan van de natuurlijke en de sociale orde waarin zij eerder was ingebed’, zegt Carla Koen, hoogleraar technologie, strategie en ondernemerschap aan de Universiteit van Tilburg.

Johan van Merriënboer, de biograaf van Sicco Mansholt, vertelt: ‘Mansholt was voorstander van grondgebonden landbouw, ook om economische redenen, want aankopen van voer in het buitenland kostte dollars en de deviezen waren schaars. Dus als minister stimuleerde hij dat veeboeren het voer voor hun eigen dieren verbouwden. Als Eurocommissaris doorkruiste hij dat streven de facto, door zijn akkoord met de Europese handelsafspraken met de Verenigde Staten in 1962. De Amerikanen bedongen toen een vrije, onbelaste invoer van hun soja in Europa, in ruil voor hun acceptatie van de hoge tariefmuur waarmee de Europese Gemeenschap haar graanboeren beschermde.’

Mansholt nam deze afspraak met tegenzin voor zijn rekening. Het handelsakkoord met de VS was de prijs voor het landbouwbeleid dat hij als commissaris voerde. ‘In die tijd was dat beleid de tractor van de Europese integratie, met Mansholt de eerste boer aan het stuur’, zegt Van Merriënboer. ‘De Europese Raad spendeerde toen 70 procent van zijn vergadertijd aan het landbouwbeleid en 95 procent van de Europese begroting ging eraan op.’ Max Kohnstamm, als naaste medewerker en vertrouweling van Jean Monnet een van de pioniers van de Europese eenwording, concludeerde ooit kortweg: ‘Zonder Europese landbouwpolitiek had de Europese Gemeenschap het niet overleefd.’

De handelsafspraken met de VS zaten Mansholts eigen voorliefde voor grondgebonden veeteelt in de weg, zegt Van Merriënboer: ‘De grond die varkensboeren en pluimveehouders nodig hadden voor hun voer lag nu ineens in de VS, onder die immense sojavelden. Vooral in Noord-Brabant, ooit de provincie van de keuterboertjes, verrezen stallen die je beter varkensfabrieken kunt noemen. Een booming business. Reden in de jaren vijftig en zestig de Groningse herenboeren nog een Mercedes, nu waren dat de Brabantse varkensboeren. En in Groningen zag je spandoeken: geen katholieke stront op onze grond!’

Cees Veerman zei ooit over de praktijk van de intensieve varkenshouderij: ‘We importeren voer, exporteren varkens en houden de rommel hier.’ Oud-topambtenaar Pierhagen herinnert zich dat Charles Henkens, vermaard onderzoeker bij het Instituut voor Bodemvruchtbaarheid in Groningen, al halverwege de jaren zeventig waarschuwde voor de ‘mestramp’ die Nederland te wachten stond: ‘Hij zag hoe de varkenshouderij in Brabant razendsnel groeide op relatief weinig grond. Hij wist: dit loopt op een gegeven moment vast, je kunt met al die mest geen kant meer op. Henkens werd destijds een beetje als een zonderlinge man gezien, maar hij had volkomen gelijk. De grond kon al die drek die de varkensboeren erop uitreden onmogelijk absorberen: de mest zakte dwars door de grond naar het grondwater en het oppervlaktewater. Dat water raakte enorm vervuild.’

Pierhagen beoordeelt de maatregelen die het kabinet nam – tien jaar nadat Henkens voor de ‘mestramp’ waarschuwde – als ‘halfslachtig’. En hij erkent: hij drukt zich voorzichtig uit. De Interimwet beperking varkens- en pluimveehouderij van CDA-minister Gerrit Braks uit 1984 bevatte zoveel uitzonderingsbepalingen en trad met zoveel vertraging in werking dat de varkensstapel in de drie jaar daarna niet kromp maar groeide, van negen miljoen tot bijna veertien miljoen dieren. De sterkste groei ooit.

‘In de Kamercommissie voor Landbouw en Visserij zeiden veel leden, niet alleen die van het CDAmaar ook van andere partijen: Braks, dit kun je niet doen, dat is toch zielig voor die boeren! Er is jarenlang eigenlijk geen bal aan die mestramp gedaan’, aldus Pierhagen.

Voor daadkracht was het wachten op een kabinet zonder het CDA. Vijftien jaar na Braks’ halfwassen poging greep VVD’er Jozias van Aartsen, minister van Landbouw in Paars I (1994-’98), de varkenspestepidemie aan voor een rigoureuze maatregel: de oekaze aan de varkenshouders het aantal dieren met een kwart terug te brengen. Deze keer intervenieerde de rechter nog, op aandringen van de vakbond van varkenshouders, maar met een vrijwillige opkoopregeling had Van Aartsens opvolger, D66’er Laurens-Jan Brinkhorst, meer succes: in 2002 was de varkensstapel met de beoogde 25 procent gekrompen.

Brinkhorst herinnert zich: ‘Ik was nog nooit in een varkenshouderij geweest. Meteen de eerste week van mijn ministerschap ben ik gegaan. Ik kwam weer buiten en men vroeg mij hoe ik het vond. Nou, antwoordde ik, net een chemische fabriek, met dat verschil dat als je daar naar binnengaat je je moet omkleden om jezelf te beschermen, en hier om de varkens te beschermen. Koppen in de krant: “Minister Brinkhorst beledigt de boeren”. Tja, als het nodig is kan ik soms iets provocatiefs hebben.’

Brinkhorst heeft in die tijd eens voorgesteld in Europoort grote fabrieksgebouwen neer te zetten met alle varkens erin en een ingang voor de soja aan de ene kant en een uitgang voor mest aan de andere. ‘“Dan hebben we er geen last meer van”, zei ik nog. Ik heb dat vooral gezegd om het denken te bevorderen. Kijk, als je vijf- of tienduizend varkens hebt en je slacht die beesten als ze zes maanden oud zijn, ben je geen boer meer maar een industrieel. Er zit nogal wat huichelarij in die sector. Een stal met honderdduizend kippen, is dat een boerderij? Dan zegt een boer waarschijnlijk tegen mij: u hebt nog nooit een kip gehouden. Dat is waar, maar hoeven we het dan niet meer te hebben over de crisis in de intensieve veehouderij?’ Pierhagen is kort over zijn conclusie: ‘De varkenshouderij, daar is geen redden meer aan. Die is niet grondgebonden te krijgen.’

De incidentele krimpmaatregelen hebben de druk die het landbouwsysteem op de boeren zet om almaar intensiever te produceren niet weggenomen. Bij een boer die zijn grond wil sparen of de schaal van zijn bedrijf wil verkleinen, staat al gauw de bank op de stoep, met de waarschuwing dat zijn financiering wel eens kan worden stopgezet. Of de vertegenwoordiger van Albert Heijn komt langs met de dringende vraag of hij zich wel aan zijn leveringscontract kan houden. De statistieken zijn illustratief. Met zestig kilo per hectare landbouwgrond is de uitstoot van ammoniak (een vorm van stikstof) de grootste in de EU. In 2018 telde Nederland ruim twaalf miljoen varkens, meer dan honderd miljoen kippen en bijna vier miljoen runderen.

Brinkhorst zegt dat de harde prijsconcurrentie die inherent is aan de wil een landbouwexportnatie te zijn deze druk om te groeien veroorzaakt. ‘De agrarische sector is een exporteur en wil dat blijven, ondanks de overbelasting van het milieu en de risico’s voor de volksgezondheid. Als individuele boer ben je betrekkelijk machteloos, dat is zo, maar dat komt ook doordat zijn sector nooit de systematische bereidheid heeft getoond om tot een andere structuur te komen. Dat is de kern. In crisissituaties, zoals ten tijde van de varkenspest of de mond- en klauwzeerepidemie waarmee ik als minister werd geconfronteerd, waren maatregelen om de veestapel terug te dringen onontkoombaar, maar zodra de crisis voorbij was viel men terug in het oude stramien.’

Boerenprotest 1974, Den Haag
© Willem Diepraam
De ‘stikstofcrisis’ van de afgelopen maanden ontstond toen de Raad van State de sluiproute illegaal verklaarde waarmee de overheid de uitstoot van stikstof boven de Europese Natura 2000-normen toestond. Bijna de helft (46 procent) van de stikstof die neerdaalt in kwetsbare natuurgebieden is afkomstig uit de landbouw. De zwaarst getroffen natuur is ‘bioarm, biosaai, bioschraal’, zegt boswachter Jos Schouten als hij uitkijkt over De Sprengenberg op de Sallandse Heuvelrug, waar hij sinds hij twintig jaar geleden begon allerlei kruiden, bloemen en planten zag wegkwijnen.

Dat soort berichten horen protesterende boeren, aangevoerd door het Farmers Defence Force, liever niet: tot twee keer toe parkeerden ze het Haagse Malieveld vol. CDA’er Henk Bleker, oud-staatssecretaris van Landbouw, kreeg daar de handen op elkaar met opruiende taal als: ‘Laat je niet door een handvol loserige veganisten of dierenactivisten op de kast jagen.’ Bij D66’er Tjeerd de Groot griste een actieleider na één zin de microfoon uit zijn handen: hij had geen recht van spreken omdat hij pleitte voor een inkrimping van de veestapel.

‘We moeten de harten van de boeren weer zien te vinden. Dan zullen de meesten erkennen: ja, we hebben een probleem met onze landbouw’
Dat soort woedende wanhoopsgebaren kun je zien als symptomen van een vastgelopen systeem. Soms zijn het minder opvallende berichtjes in de marge die een vingerwijzing zijn voor hoe ver de agrarische sector ecologische grenzen heeft overschreden. In Trouw vertelde dierenarts Elsbeth Stassen, scheidend hoogleraar in Wageningen, dat ze tegenwoordig naar de boer wordt geroepen voor ‘productiegerelateerde ziektes’, zoals bij kippen die zijn gefokt op een zo snel mogelijke aanwas van het eigen vlees: hun hart, vaten, darmen en botten kunnen dat onnatuurlijke tempo niet aan. Het Centrum voor Landbouw en Milieu (CLM) waarschuwt voor ‘bio hazards’: ziekteverwekkers die uit de intensieve veehouderij voortkomen en op mensen kunnen overslaan, zoals Q-koorts en infecties met bacteriën die resistent zijn voor antibiotica. Het gevaar van een pandemie van nu nog onvermoede ziektes, een raadselachtige vorm van koorts of voedselvergiftiging, is volgens het CLM niet denkbeeldig.

Als lid van de commissie van deskundigen die minister Schouten van advies dient over de mogelijkheden van kringlooplandbouw, deed hoogleraar Carla Koen onderzoek naar de ‘verborgen kosten’ van de Nederlandse landbouw: de schade die hij aan de fysieke gezondheid van mensen aanricht. Stoflongen, bijvoorbeeld, is een aandoening die je in de nabijheid van intensieve veeteeltbedrijven in verhoogde mate bij mensen kunt aantreffen: de lucht rond zulke bedrijven bevat relatief veel fijnstof, naast allerlei pathogene virussen en bacteriën. Koen verzucht: ‘We zien dat fijnstof niet, daardoor zijn we geneigd te denken dat het wel meevalt. Maar stel je voor dat in de lucht tussen jou en mij al die minuscule zwevende deeltjes rood, blauw of oranje gekleurd zouden zijn, my God, we zouden elkaar nauwelijks meer kunnen zien.’

Haar conclusie is dat bewoners van de provincies waar de veeteelt op zijn intensiefst is een verhoogd gezondheidsrisico lopen, niet alleen op aandoeningen aan de longen en de luchtwegen maar ook op hoge bloeddruk, beroertes, de uitval van nierfuncties. In Zembla wees epidemioloog Roel Vermeulen op de tientallen studies waaruit blijkt dat het beroepsmatig gebruik van bestrijdingsmiddelen het risico op het krijgen van Parkinson met zestig procent verhoogt. Om die reden heeft de Franse overheid in 2012 Parkinson in agrarische gebieden erkend als een ‘beroepsziekte’. ‘Nee’, beaamt Koen dan ook, ‘je terugtrekken op het platteland voor je gezondheid kun je maar beter niet doen.’

Op initiatief van voorzitter Rad Kortenhorst beloonde de Tweede Kamer Sicco Mansholt bij zijn afscheid als minister in december 1957 met een ‘motie van hulde’, een unicum in de parlementaire geschiedenis. PVDA-leider Willem Drees had zijn partijgenoot, pachtboer in de Wieringermeer, direct na de oorlog aangezocht om de voedselvoorziening in het geplunderde land weer op gang te brengen. In 1948 lukte dat nog maar mondjesmaat, getuige het weekrantsoen dat een volwassen Nederlander officieel van de overheid kreeg toegewezen: ‘2000 gr. brood, 25 gr. bloem, 100 gr. versnaperingen, 333 gr. suikers, 1875 gr. melk, 50 gr. kaas, 125 gr. boter, 125 gr. margarine, 200 gr. vlees, 31 gr. koffie, 125 gr. thee, 6,5 gr. cacao, 250 gr. sinaasappelen.’

Na dat jaar, met de afschaffing van de rantsoenering, kwam de voedselvoorziening beter op gang, vooral dankzij het rigoureuze rationalisatiebeleid van Mansholt. Hij nam het platteland op de schop, met een beleid van ruilverkaveling en mechanisatie. Arbeid maakte plaats voor machines, krachtvoer en kunstmest. Het resultaat: in twintig jaar tijd werd Nederland van voedselimporteur een -exporteur, in 1970 in grootte de vierde van de wereld.

Zoals de meeste sociaal-democraten in de eerste decennia na de oorlog had hij een groot vertrouwen in technocratische politiek, waarin wetenschap en moderne techniek het proces bepaalden. Zijn inzet was een dynamische landbouw die voldoende voedsel tegen een betaalbare prijs opleverde. Volgens zijn biograaf hield Mansholt niet alleen dankzij zijn expertise en vasthoudendheid in begrotingsonderhandelingen een kwart eeuw stand als de grote regulator van de landbouw – eerst in Den Haag en daarna in Brussel – maar ook dankzij zijn ‘boerengevoel’. Hij was ingewijd in agrarische geheimwoorden als druifluiswet, scheurpremie, zij-aanvoer-harkkeerder of fustvraagstuk. Boeren zagen hem als een van hen, althans: toen nog wel.

‘Hij was boer en socialist’, zegt Van Merriënboer, ‘maar het eerste meer dan het tweede. Hij wilde van Nederland een boerderij aan de Noordzee maken, met een krachtige boerenstand. Typerend is dat de confessionelen en de liberalen erkenden: als wij hem zelf niet kunnen leveren, dan is Sicco Mansholt de beste man op deze plek.’

In 1971 was de stemming totaal omgeslagen, in ieder geval bij de boeren. In de grote demonstratie in Brussel tegen het ‘plan-Mansholt’ telde de naamgever van dat plan negen galgen waaraan hij symbolisch was opgeknoopt. In de stoet droegen boeren afgehakte koeien- en varkenskoppen met zich mee en een doodgeboren biggetje dat op een stok was gespietst. De teksten op de sandwichborden waren doordrenkt van haat, met als summum: ‘Hitler roeide de joden uit, Mansholt de boeren’. Een week eerder hadden boeren al een koe zes verdiepingen omhoog gesleept in een Brusselse kantoorkolos, om haar los te laten in de zaal waar de Europese landbouwministers over Mansholts plan vergaderden.

Het landbouwbeleid dat hij had opgezet als Eurocommissaris was vastgelopen in de melkplas, de boterberg en de andere grote overschotten in de Europese voorraadschuren. Zijn plan moest daaraan een einde maken. De grote makke van Mansholts systeem was de marktverstoring die optrad als gevolg van de gegarandeerde minimumprijzen die Europese boeren ontvingen. Niet vraag en aanbod bepaalden de prijs, maar sociale en politieke doelen, zoals een fatsoenlijk inkomen voor de boeren en solidariteit tussen de goed en minder goed presterende landbouwnaties binnen de Europese Gemeenschap. Mansholts oplossingen hakten erin: de lidstaten moesten onrendabele grond uit productie nemen, het marktmechanisme werd bepalend voor de prijzen. Van dwang zou geen sprake zijn, de vrije wil stond voorop, maar het resultaat waarnaar de Eurocommissaris streefde was drastisch: binnen tien jaar moest de helft van de tien miljoen boeren in de lidstaten het veld ruimen.

Grote ordeningen die onhoudbaar blijken, zoals het landbouwsysteem van Europa begin jaren zeventig en het Nederlandse nu, vertonen vaak dezelfde crisissymptomen. Soms wordt nog een noodverband aangelegd om de onvermijdelijke conclusie dat het anders moet uit te stellen, zoals de kunstgreep waarmee Nederland jarenlang de Natura 2000-normen negeerde, maar een verscherpte polarisatie is meestal het averechtse effect. Daarbij staan belanghebbenden die vrezen voor de ongewisse toekomst buiten het vertrouwde systeem tegenover degenen die steeds drastischer ingrepen bepleiten om het einde ervan te bespoedigen.

Ook politieke opportunisten die een slaatje uit de onrust hopen te slaan melden zich spoedig. In 1971 jutte de Beierse christen-democraat Franz Joseph Strauss de boeren op door uit te varen tegen Bauernkiller Mansholt in Brussel; afgelopen oktober vroeg Geert Wilders retorisch aan de boeren op het Malieveld: ‘Willen jullie meer of minder stikstofregels?’ Destijds poseerden zwart geklede boeren met een doodskist tussen hen in: Mansholt was de overledene. In de Nederlandse boerendemonstraties dit najaar reed een boer rond met zo’n kist op zijn zwarte fourwheeldrive, waarop ‘Jesse Klaver’ stond gekalkt. Op het Malieveld bespeelde Bleker de antipolitieke sentimenten door te speculeren over een ‘verborgen agenda’ aan het Binnenhof; in Duitsland kankerde een boerenleider in 1971 op ‘de van de praktijk vervreemde theoretici in Brussel’. Ook over de linkse pers, de wetenschap en de ‘stad’ kan geen twijfel bestaan: van boeren moeten zij niets hebben, denken de boeren zelf.

Op de vraag hoe nu verder, antwoordt Cees Veerman dan ook direct: ‘Eerst de-escaleren!’ Hij vervolgt: ‘We moeten af van die tractoren op het Malieveld, van de grote praat, van die lelijke leuzen. Ik vond dat Willem-Alexander dat doeltreffend zei: “We moeten het samen doen.” Dit is een probleem van Nederland, dus niet alleen van de boeren, de bouw, de milieubeweging of de politiek. Iedereen moet een beetje opschuiven. Dus stop ook met voetzoekers in het rond gooien, zoals zo’n pleidooi van D66 voor halvering van de veestapel.’

Pierhagen is dat met hem eens: ‘Boeren leven in een klein wereldje. Ze komen bij elkaar op verjaardagen en geven elkaar gelijk: wij zijn zielig. Houd er dus rekening mee dat ze ontzettend gevoelig zijn voor signalen van buiten. Ze hebben toch al de indruk dat iedereen ze op de vingers kijkt en dat ze het nooit goed doen. En daar hebben ze ook niet helemaal ongelijk in.’

Voor politici concrete getallen noemen over de gewenste omvang van de veestapel, zegt Veerman, moeten zij eerst knopen doorhakken over het lastigste dilemma in het debat over de toekomst van de agrarische sector in Nederland: hoe wijd kan de kringloop zijn die Carola Schouten als ordenend model in de landbouw voorstaat? Het is niet voor niets dat de minister zich over dat dilemma nog niet heeft uitgelaten, want als het gaat over de consequenties voor milieu en economie is de ene kringloop de andere niet.

Een circulaire werkwijze op wereldschaal, waarbij het veevoer van de andere kant van de oceaan blijft komen en de Nederlandse mest als voeding dient voor de soja daar, is óók een kringloop, maar allesbehalve een duurzame. In een rapport over de kringlooplandbouw concludeerden onderzoekers van de universiteit van Wageningen en het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) dat in zo’n mondiale kringloop de Nederlandse veestapel niet hoeft te krimpen: naast het voer dat op de Nederlandse velden groeit, kan het extra benodigde uit het buitenland blijven komen. De balans van zo’n systeem: de intensieve, geïndustrialiseerde landbouw blijft de regel en de duurzame, ecologisch evenwichtige de uitzondering.

Voor de ecologie is een kringloop op Europese schaal winst. Er zal dan minder voer beschikbaar zijn – de aanvoer uit de VS en Brazilië valt weg – en dus zal er ook minder stikstof-, fijnstof- en fosfaatvervuiling optreden. Doordat minder dieren kunnen worden gevoed, betogen de onderzoekers van Wageningen en het CBS, zal naar hun verwachting de Nederlandse veestapel met een kwart krimpen. Een halvering van het aantal varkens, runderen en ander vee, vervolgen ze, is onvermijdelijk bij een verdere schaalverkleining, waarbij de kringloop van voer en mest zich binnen de Nederlandse grenzen afspeelt.

Van zo’n kringlooplandbouw die circulair is in het gebied waarin hij opereert, zegt Veerman, kun je de economische consequenties beter niet bagatelliseren: ‘Zo’n systeem zal welvaart kosten. Dan kun je zeggen: dat zal wel meevallen. Nee, dat zal niet meevallen, die schade zal aanzienlijk zijn. Veel mensen zullen hun werk en inkomen verliezen, niet alleen op de boerderijen maar ook bij andere bedrijven in de agrarische sector.’

Vandaar zijn conclusie, zegt hij: eerst de-escaleren! ‘We moeten de harten van de boeren weer zien te vinden. Dan zullen de meesten erkennen: ja, we hebben een probleem met onze landbouw, dat is onze medeverantwoordelijkheid, de weg terug zal pijn doen, maar we moeten hem wel zien te vinden. Het is het klassieke patroon bij grote veranderingen in de maatschappij. Een op de vijf ziet direct in dat ze nodig zijn, de anderen zullen van die noodzaak overtuigd moeten worden. En dan houd je altijd nog een kleine, koppige restgroep die voor geen rede vatbaar is en een deur van een provinciehuis inramt.’
— Lees op www.groene.nl/artikel/klem-in-een-onhoudbaar-systeem