De consument ruilt biefstuk niet zomaar in voor bonen
Landbouwrapport VN-klimaatpanel IPCC Bijna 200 landen zijn het eens met de conclusies van het IPCC over de intensieve landbouw. Nu is de vraag welke maatregelen genomen moeten worden.

Erik van der Walle
9 augustus 2019

Ingrid van Halteren
Stel je een zaal voor met vertegenwoordigers van bijna 200 landen. En iedereen in die zaal moet akkoord gaan met 90 gevoelige statements over klimaatverandering, verdeeld over 35 pagina’s. Dat is de omgeving waarin klimaatexpert Bart Strengers van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) de afgelopen dagen en nachten in Genève heeft gebivakkeerd.

„Hier schuren wetenschap en politiek echt tegen elkaar aan”, zegt Strengers. „Elke landendelegatie kan zijn eigen wensen naar voren brengen, maar de conclusies van zo’n politieke samenvatting moeten wel passen binnen het bredere wetenschappelijke rapport. De auteurs zitten er ook bij.” Uiteindelijk zijn alle aanwezige delegaties („Wij zitten alfabetisch naast Nepal, maar die waren er niet”) akkoord gegaan, ook klimaatsceptische landen als de Verenigde Staten en Brazilië.

Een omslachtig ritueel? Wellicht, maar niet onbelangrijk. De conclusies die het wetenschappelijke klimaatpanel IPCC van de Verenigde Naties donderdag naar buiten bracht zullen niet schokkend zijn voor mensen die zich een beetje in de gevolgen van intensieve landbouw en de wereldwijde ontbossing hebben verdiept. IPCC baseert zich immers op ruim 7.000 eerder gepubliceerde wetenschappelijke studies. Het gaat er nu om dat, zo stellen de VN, het landgebruik en de voedingsgewoonten daadwerkelijk op de schop gaan. En dat gebeurt nooit zonder de betrokkenheid van al die landen.

De conclusies van het IPCC zijn er serieus genoeg voor. Driekwart van het ijsvrije land in de wereld wordt door de mens gebruikt en daarvan is inmiddels een kwart aangetast (‘degraded’) door kaalslag, mest of erosie. En boven dat land – boven zee is dat minder – is de temperatuur al meer dan 1,5 graad Celsius gestegen ten opzichte van de pre-industriële tijd. Verder nemen de landbouw en ander landgebruik bijna een kwart van de uitstoot van broeikasgassen voor hun rekening. En als we op deze voet doorgaan met het intensieve landgebruik en voedselverspilling – meer dan een kwart van het eten gooien we weg – komt de voedselproductie na 2050 ernstig in gevaar.

„Het mooie van dit proces in Genève is dat letterlijk bijna de hele wereld aanwezig is. Dat de wetenschap dan belangrijk is, stemt tot tevredenheid”, zegt Strengers. De PBL-wetenschapper vormde samen met vertegenwoordigers van het KNMI en het ministerie van Landbouw de Nederlandse delegatie. „Dat sommige landen in een bijna eindeloze kramp kunnen schieten, zorgt dan wel weer voor een dubbel gevoel.”

Halvering vleesconsumptie
Waar moet die internationale betrokkenheid toe leiden? Vooral in het Westen: veel minder vlees eten. Eindelijk stoppen met de ontbossing. Voorzichtig omgaan met biomassa (bijvoorbeeld hout als energiebron) en de uitstoot van landbouwgronden – vooral methaan en lachgas – sterk terugbrengen.

„Wij moeten de vlees- en zuivelconsumptie in 2050 minimaal halveren, wereldwijd. Dat betekent in de praktijk dat in het Westen de consumptie met wel 70 of 80 procent moet afnemen”, zegt Hilde de Vries, landbouwcampaigner bij Greenpeace. Een wel erg stevige opdracht? „Maar wat heeft de huidige aanpak ons gebracht? Nog steeds hebben ruim 800 miljoen mensen honger, 2 miljard mensen hebben overgewicht en we kampen met klimaatverandering en uitgeputte bodems. Zoals het IPCC laat zien zorgt het huidige systeem in de nabije toekomst voor extra risico’s in de voedselvoorziening.”

Lees ook: Alleen plantaardig eten kan ons redden
Volgens Greenpeace, als ‘waarnemer’ in Genève aanwezig, laat het IPCC-rapport vooral zien dat het te laat is om vooral een beroep op de consument te doen. Natuurlijk kan je mensen oproepen om niet elke dag vlees te eten, maar wat te doen met palmolie? Dat zit in talloze, dagelijkse producten en is met soja (veevoer) en cacao grotendeels verantwoordelijk voor de ontbossing. „Het is nu echt tijd voor de overheid om verantwoordelijkheid te nemen en een keer niet te zwichten voor de lobby van bedrijven. We pleiten in Brussel voor wetgeving die regelt dat alles wat Europa binnenkomt niet voor ontbossing of schending van mensenrechten heeft gezorgd.” Volgens De Vries hebben bedrijven de afgelopen jaren laten zien dat zelfregulering niet werkt.

Subsidies voor duurzaam
Greenpeace pleit er ook voor om EU-subsidies alleen nog maar aan duurzame landbouwers te verstrekken. Geen gek idee, vindt Kees van Zelderen, bij landbouworganisatie LTO portefeuillehouder klimaat en energie, om zo met subsidies sturing te geven. „Ik kan me bijvoorbeeld voorstellen dat je als subsidiegever in de toekomst kijkt naar hoeveel CO2 een boer met zijn bedrijf kan opslaan, en die opslag kan je bijvoorbeeld vergroten door meer eiwithoudende gewassen te telen.” In Nederland kan de biologische landbouw wel een impuls gebruiken want die neemt volgens het CBS slechts 3 procent van het areaal in beslag.

Van Zelderen, zelf biologisch melkveehouder, vindt vermindering van de vleesconsumptie niet onrealistisch. „Ik denk dat we daarvan niet moeten schrikken, al houd je natuurlijk altijd dierlijke productie: zonder mest kunnen de planten immers niet groeien. En onze footprint [klimaatschade] is internationaal gezien beperkt, dus voor de export houden we als Nederlandse boer een belangrijke rol.”

Volgens de LTO-bestuurder snapt iedereen inmiddels wel dat het systeem vastloopt „als de hele wereld ons consumptiepatroon overneemt”. Hij denkt niet dat Nederlandse boeren zich door de conclusies van het IPCC-rapport massaal in de hoek gezet voelen. „Jonge boeren begrijpen echt wel dat ze een andere houding moeten aannemen dan de generatie voor hen. Die zien dat het tijd is voor verandering.”

Hardere maatregelen
En er gebeurt al veel op het gebied van verduurzaming, zegt Van Zelderen die verwijst naar het Klimaatakkoord. Toch wijzen critici er juist op dat de landbouw in het recent overeengekomen Klimaatakkoord ontzien wordt. Daarin wordt afgesproken dat de totale uitstoot in Nederland (inclusief industrie en verkeer) in 2030 gehalveerd is. Dat betekent over elf jaar een totale reductie van 49 miljoen ton, waarvan de landbouw (inclusief de tuinders) 3,5 miljoen ton voor zijn rekening neemt. Terwijl de agrarische sector zelf 24 miljoen ton uitstoot. „Met extra maatregelen willen we aan 6 miljoen ton reductie komen”, zegt de veeboer, „en dat komt bovenop het bestaande beleid. De uitstoot door landbouw is in vergelijking met 1990 19 procent lager.”

Strengers (PBL) denkt niet dat de schrikbarende conclusies van het IPCC direct tot harde maatregelen in de Nederlandse landbouw leiden. „Er staat daar zeker veel te gebeuren, want als je als overheid alleen gaat gokken op minder vlees eten, gaat het echt niet lukken. Maar ik verwacht dat nu eerst het Klimaatakkoord wordt uitgevoerd en dat we daarmee in 2030 de uitstoot halveren. Daarna komen vanzelf hardere maatregelen op de agenda.”

KLIMAATVERANDERING
FEITEN UIT HET RAPPORT VAN HET IPCC OVER LANDBOUW

Beter landgebruik (landbouw en ook bijvoorbeeld bosbeheer) kan bijdragen om de klimaatverandering te stoppen, maar is het is niet de enige oplossing. Reductie van broeikasgassen uit alle sectoren (industrie, verkeer) is daarvoor nodig.

Er zijn grenzen aan het gebruik van land om klimaatverandering aan te pakken. De inzet van biomassa (bijvoorbeeld hout voor energieopwekking) moet zorgvuldig gebeuren om risico’s op voedselzekerheid, biodiversiteit en bodemerosie te voorkomen. Het kost na het kappen van een bos veel tijd voordat bomen en bodem weer CO2 kunnen opslaan. De juiste uitkomst voor het gebruik van biomassa moet lokaal worden bepaald.

De omvang van de bossen is de afgelopen dertig jaar met 3 procent afgenomen. Die afname vond vooral plaats in de tropische delen van de wereld, in gebieden met een gematigd klimaat namen de bossen in omvang toe. De productie van vlees heeft een groot effect op het milieu door het beslag op land en water. En landbouwgebieden stoten veel methaan en lachgas uit. Verder vindt voor de teelt van soja – voor veevoer – ontbossing plaats. Meer plantaardige diëten leiden tot een significante afname van uitstootgassen. Ook insecten, kweekvlees en andere vleesvervangers kunnen een belangrijke rol spelen.

Klimaatverandering bedreigt de voedselzekerheid op verschillende manieren. De beschikbaarheid kan afnemen, de toegang tot voedsel kan beperkt worden en voedseltekort kan de stabiliteit in een gebied aantasten.

Een derde van de geproduceerde voeding gaat verloren. De oorzaken daarvan zijn verschillend voor ontwikkelingslanden en ontwikkelde landen en afhankelijk per regio. In Afrika is het vaak een gevolg van gebrekkige infrastructuur, in rijke landen wordt voedsel weggegooid. Minder verspilling levert een aanzienlijke bijdrage op aan de beperking van het broeikaseffect en verbetert de voedselzekerheid. Behalve technische oplossingen (oogstmethoden, verpakkingen) moet ook het gedrag van mensen veranderen.

Als de klimaatverandering zich gematigd voortzet (1,5 graden in 2050) krijgen 178 miljoen mensen te maken met gebrek aan voldoende drinkwater. Wordt de klimaatverandering dubbel zo erg in 2100 dan leven 2,6 miljard mensen in regio’s met onvoldoende water. Nu al leven zo’n 500 miljoen mensen in verwoeste gebieden. Deze gebieden zijn extra kwetsbaar. De landbouw is verantwoordelijk voor 70 procent van het water gebruik.

— Lees op www.nrc.nl/nieuws/2019/08/09/de-consument-ruilt-biefstuk-niet-zomaar-in-voor-bonen-a3969674