Wat brengt de voedingswetenschap ons nog, behalve verwarring?
Voeding Het Nederlandse vitamine-onderzoek was baanbrekend. Ruim een eeuw later vraagt NRC acht experts: is de voedingswetenschap nog relevant?
Martine KamsmaNiki KortewegSander Voormolen
8 november 2019 om 15:08
Leestijd 10 minuten

Wat goede voeding is weten we eigenlijk wel. De laatste editie van de Nederlandse ‘Richtlijnen goede voeding’, uit 2015, is stevig geworteld in de wetenschappelijke bewijsvoering. Kan het nog beter, vraag je je af? Is de voedingswetenschap, ruim honderd jaar na de ontdekking van de eerste vitamines, vijftig jaar na de oprichting van de afdeling voeding en gezondheid in Wageningen, niet klaar? NRC stelde deze vraag aan acht Nederlandse wetenschappers die zich met voeding bezighouden.

Over de basis bestaat weinig discussie – de Schijf van Vijf is in essentie nog hetzelfde als vijftig jaar geleden. Maar verder inkleuren van dit plaatje bleek een stuk lastiger. De gordiaanse knoop van de hoeveelheid verschillende voedingsmiddelen, wisselende eetgewoonten en de vaak subtiele gezondheidseffecten die alleen op lange termijn zichtbaar worden, bleek niet simpel te ontwarren. Teleurstellend, vinden ook voedingswetenschappers zelf.

1970
Onder consumenten is de verwarring groot door tegenstrijdige berichten. Eerst lijken antioxidanten te beschermen tegen kanker, later bleek dat dit niet zo is, en dat ze zelfs kanker kunnen bevorderen. Rood vlees zou volgens sommige onderzoekers kankerverwekkend zijn, terwijl anderen weer zeggen dat het bewijs daarvoor te zwak is. Ondertussen adviseren allerlei dieetgoeroes met of zonder onderbouwing om bepaalde voeding te mijden.

Mensen creëren in die wildernis hun eigen overtuiging over wat goed is, en dat gaat over veel meer dan gezondheid. „Vroeger was een dieet iets wat je kreeg voorgeschreven als je ziek was, maar nu is het iets heel individueels geworden”, constateert Louise Fresco, voorzitter van Wageningen University. „Voeding heeft niet alleen een relatie met gezondheid, maar ook met schoonheid en fitheid.

„Voedsel is een individuele keuze die veel met identiteit te maken heeft”, zegt Fresco. „Als je nu zegt: ik eet veganistisch, of ik eet alleen slaafvrije chocolade, dan zeg je niet alleen iets over de calorieën en de nutriënten in het voedsel, maar ook over hoe je in het leven staat.”

Waar loopt de voedingswetenschap tegenaan?
Het voedingsonderzoek heeft een groot probleem, daarover zijn alle geïnterviewden het eens. „Het veld heeft veel teleurstellingen te verwerken gehad de afgelopen veertig jaar. Veel ontdekkingen die veelbelovend leken, bleken dat niet te zijn”, zegt Martijn Katan, emeritus hoogleraar voedingsleer. Onderzoekers leunden de laatste decennia te veel op epidemiologische studies. Die kijken naar het verband tussen bepaalde eetgewoonten en bijvoorbeeld een ziekte bij grote groepen mensen die jarenlang worden gevolgd en steeds vragenlijsten invullen. Maar uit die globale metingen zijn kleine effecten van voedingsstoffen op het lichaam helemaal niet op te maken. Ze zijn dus niet echt geschikt voor voedingsonderzoek, zegt epidemioloog Cecile Janssens.

1953
Een groter probleem in die studies is dat mensen die gezond eten gemiddeld ook meer bewegen, slanker zijn, niet roken, de juiste medicijnen gebruiken en in gezondere buurten wonen. Dan wordt dus nooit duidelijk wat het effect daarvan is, en wat het effect van hun eten. Onderzoekers trekken vaak te snel conclusies en vertalen die te makkelijk naar voedingsadvies, klinkt het unaniem.

„Dat maakt de voedingswetenschap inderdaad zo lastig”, zegt Fresco. „Wat we vinden op het niveau van een populatie zegt niet zoveel over het effect op individueel niveau. En dat leidt tot verschrikkelijk veel verwarring bij de bevolking.”

Maar het probleem begint dus al bij de methodes. De laatste jaren doen steeds meer landen grote bevolkingsonderzoeken, zoals de Rotterdam Studie in Nederland, waarin 15.000 mensen worden gevolgd, of de Groningse Lifelines studie, met meer dan 150.000 deelnemers. „Veel voedingsonderzoek put uit zulke cohortstudies. De gegevens zijn er al, en het is makkelijk om daar een statistische analyse op te doen, maar die studies kijken naar zo veel factoren dat alles slechts globaal gemeten wordt”, zegt Janssens. „Op basis van epidemiologie alleen is zoiets specifieks als een verband tussen zwarte bessen eten en het risico om kanker te krijgen niet te concluderen. En al helemaal niet dat het de oorzaak ervan is. ”

Veel te vaak zie je dat onderzoekers vissen in de enorme hoeveelheid data naar significante associaties, zegt Janssens. „Als je het verband tussen kanker met zwarte bessen niet vindt, dan kijk je naar de blauwe bessen, dan naar de rode, tot je iets vindt. Dat draagt niet bij aan een solide wetenschappelijke basis.”

Sommige geïnterviewden zouden epidemiologisch voedingsonderzoek liefst de deur uit doen. „Dat uitmelken van grote cohorten voegt niets meer toe”, vindt Jaap Seidell, hoogleraar voeding en gezondheid. „Epidemiologisch onderzoek is waardevol, het kan de richting wijzen waarin je moet zoeken, of vertellen hoe vaak iets voorkomt”, zegt Janssens. „Maar wetenschappers zien het te vaak als een onderzoeksmethode om risico’s te begrijpen. Daar hapert het.”

Jaren 70
Niet alleen de epidemiologie vormt een probleem. „Ook korte experimentjes – wat doet drie weken walnoten eten met bloedvetten bijvoorbeeld – zeggen niet zoveel”, zegt Seidell. „De kennis is nog heel fragmentarisch, we hebben nog nauwelijks een idee van de relatie tussen voedingspatronen en voedingsstoffen met de gezondheid. We moeten stoppen met kleine rommelstudietjes.” Maar voor het alternatief, gedegen klinisch onderzoek, moeten onderzoekers mensen langdurig afsluiten van een omgeving. Dat is duur, en soms ethisch niet te verantwoorden.

Hoe moet het dan wel?
Om te beginnen moeten onderzoekers geduldiger zijn en kritisch blijven op zichzelf. „Onderzoekers moeten niet stoppen als ze een epidemiologisch verband vinden”, zegt Janssens. „Ze moeten een verklarend biologisch mechanisme zoeken, experimentele studies opzetten die het kunnen onderbouwen, en vooral proberen hun eigen bevindingen op allerlei manieren te weerleggen. Ze moeten meer tijd nemen om het uit te zoeken en zich niet laten opjagen.”

„Bedenk de belangrijkste vragen en heb het geduld om die met een grote groep onderzoekers op te lossen”, stelt Seidell voor. „Nu is er alleen tijd voor kleine stukjes, omdat de doorsnee financiering maar drie of vier jaar duurt.”

De moderne genetica biedt hoop, volgens Katan. „Een analyse die mendeliaanse randomisatie heet, deelt mensen in op basis van genen die een aspect van voeding bepalen, in plaats van op basis van gedrag. Daarmee krijg je groepen die goed te vergelijken zijn. Met deze methode is bijvoorbeeld recentelijk aangetoond dat matige drinkers evenveel hartinfarcten krijgen als geheelonthouders. Met dergelijk onderzoek is veel te behalen.”

Daarnaast ontkomt het voedingsonderzoek niet aan grote klinische studies met mensen, vinden alle geïnterviewden. Onderzoek zoals de recente studie van de Amerikaanse voedingswetenschapper Kevin Hall, die mensen twee weken opsloot en afwisselend sterk bewerkt voedsel gaf of onbewerkt voedsel. Met als uitkomst: van sterk bewerkt voedsel aten ze meer calorieën. Alleen met dergelijke studies kan echt duidelijk worden wat bepaalde voedingsstoffen, of voedingsmiddelen, of complete eetpatronen met ziekte of gezondheid te maken hebben.

Begin jaren 70
Tiny van Boekel, emeritus hoogleraar voedseltechnologie, zou dan niet inzetten op ingrediënten maar op het effect van voedingsmiddelen. „Na vijftig jaar blijkt dat het effect van verzadigd vet op het cholesterolgehalte bijvoorbeeld verschilt per product. Kennelijk zitten er in verschillende producten verschillende nutriënten die mee- of tegenwerken. Dat zouden we verder moeten uitzoeken.”

Ook pleiten geïnterviewden voor gedegen onderzoek naar voedingspatronen, zoals de Spaanse Predimed-studie met bijna 7.500 deelnemers waarbij het mediterrane eetpatroon wordt vergeleken met het standaard voedingspatroon. „Als je dat twintig jaar volhoudt kun je echt iets zeggen over de effecten op het brein, diabetes of levensduur”, zegt Jaap Seidell.

Een nieuwe benadering van voedingsonderzoek is citizen science, oftewel burgerwetenschap. Individuele burgers leggen daarvoor hun ervaringen met voeding en leefstijl vast en delen deze data met onderzoekers. „Mensen experimenteren bijvoorbeeld met het schrappen van bepaalde voedingsmiddelen uit hun dieet om te kijken of dat hun klachten verlicht”, zegt Gaston Remmers, die zich bezighoudt met citizen science. „Dagelijks vinden er duizenden van die individuele experimenten plaats. Deze real world data bieden versneld inzicht in wat helpt en wat niet, mits daar een goede onderzoeksstructuur omheen staat, waarbij burgers betrokken worden.” Zo loopt er een studie onder leiding van het Erasmus MC en het Platform Patiënt en Voeding naar de relatie tussen voeding en prostaatkanker. Daarin kijken ze naar wat de effecten zijn op de kwaliteit van leven van deelnemers en op de waarden van bepaalde antioxidanten in het bloed.

Wat doen mensen met alle inzichten?
Er is bijna niemand die eet volgens de ‘Richtlijnen gezonde voeding’. Gerda Feunekes, directeur van het Voedingscentrum: „We weten wel wat goed is, maar er is een discrepantie tussen kennis en gedrag. Het is in de praktijk lastig om gezond te eten, vooral omdat de verleidingen voor de consument enorm zijn. Mensen kiezen snel voor gemakkelijk en lekker. Daarom is het belangrijk dat de omgeving zo is ingericht dat die de gezonde en duurzame keuze stimuleert. Daarmee zijn wij bezig, bijvoorbeeld met de Gezonde Schoolkantines.”

Seidell ziet bij lezingen dat er veel discussie is over details, waarop hij dan meestal moet zeggen: we weten het niet. „We weten hoeveel vitamine C je moet opnemen tegen scheurbuik, maar wat optimaal is voor verschillende individuen, of wat bepaalde stoffen met het microbioom of het brein doen, zover zijn we nog niet. De voedingswetenschap staat pas aan het begin.”

Een probleem dat volgt uit algemene conclusies is dat ze geen rekening houden met individuele verschillen. „De neiging om te veralgemeniseren, om vooral te kijken naar statistiek en kansberekening, staat de voedingswetenschap in de weg”, vindt Gaston Remmers. „Het publiek heeft die drang tot veralgemeniseren overgenomen. Door wat mensen op internet lezen, denken ze dat ze door kurkuma of avocado te eten de heilige graal hebben gevonden. Terwijl voor ieder individu de behoeften anders kunnen zijn.”

1968
„De denkfout van het publiek is dat het gaat om afzonderlijke voedingsmiddelen, terwijl het in werkelijkheid gaat om voedingspatronen”, zegt Louise Fresco. „Simpel gezegd: het is niet erg als je af en toe een hamburger eet, maar het is wel erg als je alleen maar hamburgers eet. Het gaat er vooral om dat je op de lange termijn niet overconsumeert.”

Wat moet nog uitgezocht worden?
Als we nu 100 miljoen mogen uitdelen, welk onderzoek verdient dat dan?

Martijn Katan zou eerst inzetten op kleinere vragen. „Om het veld weer wat moed te geven. Er zou bijvoorbeeld eens goed uitgezocht moeten worden welke voedingsmiddelen nu acne verergeren. Dat is niet ernstig, maar wel iets waar veel mensen ongelukkig van zijn, en het is nooit goed uitgezocht. Hetzelfde geldt voor het effect van cranberrysap of vitamine C bij blaasontsteking. Binnen een jaar zou je iets moeten kunnen zien, en het is experimenteel te bewijzen.”

„Als het vakgebied dan weer wat moed heeft, kan het zich weer richten op de grote aandoeningen: kanker, dementie, osteoporose. Daar zijn experimenten van zeker tien, twintig jaar voor nodig. Het onderzoek naar voeding en kanker heeft een lange geschiedenis met allerlei ideeën, maar welke daarvan wel of niet opgaan, is totaal onduidelijk. Het enige dat we zeker weten is dat vetzucht en alcohol de kans op kanker vergroot. Bij dementie liggen duidelijke vragen, over het effect van B-vitamines bijvoorbeeld. Het kan jaren kosten, en het kan op niets uitdraaien. Maar als het werkt, heb je de hoofdprijs.”

Levensmiddelentechnoloog Tiny van Boekel vindt het de moeite waard uit te zoeken of de industrie smakelijke bewerkte producten kan maken die niet zo makkelijk weghappen als de bestaande – en die zo voor lagere calorie-inname zorgen. Ook zou hij inzetten op onderzoek naar nutrigenomics: hoe voedsel en ingrediënten op de respons van genen werken om beter te kunnen voorspellen welke effecten die hebben op de gezondheid.

Hij stipt ook een derde punt aan. „We moeten ons voedingspatroon drastisch omgooien omdat er door de klimaatverandering schaarste zal zijn in de toekomst. De voedingskundige consequenties daarvan onderzoeken is ook belangrijk.”

Jaap Seidell zet in op het indammen van de explosie van voedingsgerelateerde welvaartsziekten. „Onderzoek is nodig voor mensen met, zoals we dat noemen, lage voedselvaardigheden.” Evenals Feunekes stelt hij de vraag: hoe kun je gezonde voeding aantrekkelijk maken?

Aan de basis van dat alles ligt onderzoek naar de belangrijke ‘eerste duizend dagen’ vanaf de conceptie. „Grote gezondheidsverschillen beginnen daar. Maar we weten nog niet goed welk advies we van zwangerschap tot twee jaar moeten geven”, aldus Seidell.

1948
Gerda Feunekes zou het geld inzetten op onderzoek naar de invloed van voeding op het voorkómen van ziektes. „We weten dat het een rol speelt bij het ontstaan van hart- en vaatziekten, kanker en diabetes. De laatste jaren hebben artsen gelukkig ook steeds meer oog daarvoor. ”

Michiel Korthals ziet als filosoof graag meer onderzoek naar het sociale aspect. „Het belang van de maaltijd, smaak, samen koken en eten, hoe groepen consumenten zich gedragen. In de medische wetenschap zijn artsen altijd bezig met de patiënt, je ziet meteen wat er gebeurt. De voedingswetenschap heeft nauwelijks connectie met mensen over wie het gaat. Dat levert vaak een beperkt perspectief op: het gaat over nutriënten en het individu, niet over de vraag wat ‘goed’ eten is.”

In de toekomst, verwacht Fresco, zal er meer aandacht komen voor individuele aanleg en levensstijl. „We willen naar een circulaire economie, waarin we alles hergebruiken, dat kan voor een deel door verspilling tegen te gaan. Dat zou je kunnen doen met afgestemde kant en klare maaltijden en door iets te doen aan portiegrootte. In de toekomst zou de koelkast bijvoorbeeld kunnen vaststellen dat er iets in je lichaam ontbreekt en melk met extra calcium bestellen, omdat een chip in je pols zegt dat je die ochtend calciumgebrek hebt. Daar zijn we nu nog niet aan toe, om die regie uit handen te geven. De bevrediging van de individuele keuze mis je dan, maar ook de variatie die mensen nodig hebben.”

Wat is kenmerkend voor Nederland?
Duidelijk is dat het vroege vitamineonderzoek een stevige basis heeft opgeleverd. „Nederland is lang heel goed geweest in voedingswetenschap”, zegt Katan. „Het niveau is hoog”, zegt Seidell, „Nederlandse onderzoekers worden veel geciteerd.” Korthals plaatst een kanttekening: juist door dat vroege onderzoek zit de Nederlandse voedingswetenschap nu wel „in een bubbel van biologie en chemie”.

Een minder gunstig kenmerk is, zoals Katan het noemt, „de warme relatie tussen het bedrijfsleven en voedingsonderzoekers”. Tegenwoordig is dat universeel, maar in Nederland waren suiker-, en zuivelindustrie altijd al aanwezig, zegt hij. „Dergelijke industrieën kunnen hun product niet veranderen en duwen daarom het onderzoek in de richting van goed nieuws voor hun branche.” Unilever en Nestlé sturen het onderzoek ook weleens één kant op, „maar ze hebben ook veel waardevols ontdekt en passen daar hun producten op aan. ”

Tiny van Boekel wijst erop dat de industrie de transvetten uit de margarines heeft gehaald, nadat was aangetoond hoe slecht die zijn voor hart en bloedvaten. En hoe, omgekeerd, de industrie onderzoek naar verzadigd vet en zout stimuleert. „Die wederzijdse invloed kan positief zijn.”

Hoe groot is die rol van de industrie nu?
Onderzoeksvragen worden te sterk bepaald door de industrie, klinkt het breed. „De industrie wil zijn producten kwijt, de markt bepaalt”, zegt niet alleen Van Boekel. „Het bedrijfsleven zoekt naar quick wins, iets wat je snel kunt patenteren”, zegt Seidell. „Hoe je een kind aan de groente krijgt, daar krijg je bedrijven niet in mee.” Of zoals Katan het zegt: „Op worteltjes krijg je geen patent.” Zoiets als het effect van chocola of zuivel op acne is daardoor nooit uitgezocht, zegt hij. „Er valt geen geld mee te verdienen. De voedingswetenschap is helemaal uitgeleverd aan de markt.”

1947
Door kabinetsbeleid is die verwevenheid toegenomen. Onderzoek zónder private financiering bestaat bijna niet meer. Seidell: „Dat is prima als je met ASML chipmachines ontwikkelt, maar het wordt ingewikkeld als dokters alleen maar farmaceutisch onderzoek doen, omdat voor leefstijlonderzoek – hoe verhelp je diabetes met gezonde voeding – geen geld is .”

De voedingswetenschap is helemaal uitgeleverd aan de markt
Martijn Katan voedingskenner
De industrie is gefocust op positieve uitkomsten, zegt Korthals. Onderzoek naar negatieve effecten: daarop zitten producenten niet te wachten. In de ethische commissie van Wageningen is wel eens voorgesteld een donatiefonds op te richten, zegt Korthals. „Bedrijven zouden dan wel doneren, maar je verbreekt de directe relatie tussen geldschieter en onderzoeker.” Dat zou bovendien goed zijn voor de reputatie van de voedingswetenschap. „Dat bedrijven nu zo’n grote rol spelen, schaadt het vertrouwen van het publiek.”

Welke kennis negeren de geïnterviewden zelf?
De geïnterviewden, die alles over gezonde voeding weten, lijken die kennis zelf enigszins te relativeren als het om hun dagelijks eten gaan. Zelfs de directeur van het Voedingscentrum gaat er soepel mee om. „Als je voor 85 procent de Schijf van Vijf volgt, heb je van alle voedingsstoffen al voldoende binnen”, zegt Gerda Feunekes.

Jaren 60 en 70
Tiny van Boekel eet gevarieerd en matig, „maar zeker ook zeer bewerkt voedsel.” Toen hij zichzelf een paar jaar geleden te zwaar vond, ging hij „gewoon” wat minder eten „en zo raakte ik acht kilo kwijt.”

Martijn Katan noemt zichzelf geen lichtend voorbeeld. „Aan het einde van iedere dag nestel ik me in mijn luie stoel met een glas bourbon, een haring, wat augurkjes en een schaaltje cashewnoten. Elke dag drinken is niet gezond, maar ik zal er niet ter plekke van doodvallen.”

NRC SPRAK MET:

Tiny van Boekel voedseltechnoloog, emeritus hoogleraar product design & quality management Wageningen University

Gerda Feunekes voedingskundige en sinds 2014 directeur van het Voedingscentrum

Louise O. Fresco voorzitter van Wageningen University

Cecile Janssens onderzoekshoogleraar translationele epidemiologie aan de Emory University in Atlanta

Martijn Katan emeritus hoogleraar voedingsleer Vrije Universiteit, Amsterdam

Michiel Korthals emeritus hoogleraar toegepaste filosofie Wageningen University

Gaston Remmers directeur Stichting Mijn Data Onze Gezondheid en bestuurslid Platform Patiënt en Voeding, ruraal socioloog

Jaap Seidell hoogleraar voeding en gezondheid Vrije Universiteit, Amsterdam
DIT ONTDEKTE DE VOEDINGSWETENSCHAP

Waaruit moet goede voeding bestaan? In honderd jaar tijd verschoof de aandacht van voldoende voedsel naar volwaardige voeding naar gezondheidsbevorderende voeding. Een beknopt overzicht van de belangrijkste ontdekkingen.

Vitamines

Vitamines kan het menselijke lichaam niet of onvoldoende aanmaken en zijn essentieel voor de stofwisseling. Al lang voordat vanaf 1911 ontdekt werd om welke stoffen het ging, was bekend dat eenzijdige voeding gebreksziekten kon veroorzaken.

Vezels

Voedingsvezels worden niet verteerd in het menselijk darmkanaal. Toch zijn ze belangrijk voor de gezondheid. Ze houden water vast en zorgen dat voedingsstoffen geleidelijk worden opgenomen.

Verzadigde vetten

In de jaren zestig werd ontdekt dat veel verzadigd vet in voedsel het cholesterol in het bloed verhoogt. Dat veroorzaakt een hoger risico op hart- en vaatziekten. Onverzadigde vetten, vaak van plantaardige oorsprong, verlagen juist het cholesterol.

Suiker en zoetstoffen

De relatie tussen overmatige suikerconsumptie en overgewicht zette de trend naar kunstmatige zoetstoffen in gang. Suiker levert alleen energie, geen nutriënten of bouwstoffen. Er zit veel ‘verborgen suiker’ in bewerkte voedingsproducten zoals soepen en sauzen, waardoor mensen er meer van eten dan ze door hebben.

Transvetten

Transvetten ontstaan door het ‘harden’ van plantaardige oliën. Eind jaren tachtig toonde Nederlands onderzoek aan dat ze slecht zijn voor hart en bloedvaten. Daarna stapten producenten over op andere productietechnieken. Wat Nederlanders nog aan transvetten binnenkrijgen komt vooral uit kaas, melk en vlees.

Anti-oxidanten

Deze beschermende stoffen in groenten en fruit kunnen agressieve moleculen neutraliseren. In de vorige eeuw werd gedacht dat extra inname ervan ziekten kan voorkomen. Dat bleek soms niet het geval: caroteen en vitamine E kunnen zelfs het risico op respectievelijk long- en prostaatkanker vergroten.

Probiotica

Onze darmbacteriën spelen een belangrijke rol bij de opname van voedingsstoffen. Er is grote wetenschappelijke belangstelling voor het effect ervan op de gezondheid, al is nog nauwelijks duidelijk of en hoe het microbioom de gezondheid beïnvloedt.
SNOEP VERSTANDIG

1941

Oprichting van het Voorlichtingsbureau van den Voedingsraad.

1953

De eerste Schijf van Vijf adviseert iedere dag levertraan.

Jaren 60

Melk móét, vindt het Voedingsbureau. Het Zuivelbureau voerde in de jaren 60 en 70 campagne met Joris Driepinter.

Jaren 70

Fruittelers en tandzorg vinden elkaar in de campagne ‘snoep verstandig’.

1991

Begin van de campagne Let op Vet.
— Lees op www.nrc.nl/nieuws/2019/11/08/wat-we-weten-van-ons-eten-een-eeuw-voedingswetenschap-a3979664