De boeren en de politiek
‘De problemen zag je van mijlenver aankomen’

Boeren richten hun woede in de recente protesten vooral op ngo’s en groene politici. Maar de daadwerkelijke oorzaak van de onvrede ligt aan de andere kant van het politieke spectrum: jarenlange kop-in-het-zand-politiek van het CDA en de VVD.

Hidde Boersma en Janno Lanjouw
30 oktober 2019 – uit nr. 44

Boerenprotest in Ten Post, Groningen. 1 oktober
© Kees van de Veen / HH
Een kapotte provinciehuisvoordeur, doorbroken dranghekken, een opgestopt wegennet, een paar doodsbedreigingen voor progressieve politici en een sterk verdeelde Kamer. Het was een ongewone oogst van twee boerenprotesten in een paar weken tijd. De boeren zijn boos en ontevreden. Ze vinden dat ze te weinig waardering krijgen voor hun werk, dat er te hoge eisen worden gesteld aan hun werkzaamheden en dat politici die over hen beslissen geen feeling hebben met hun bedrijfstak. Als D66-Kamerlid Tjeerd de Groot voorstelt om de veestapel te halveren, is de maat vol: de straat op met trekkers!

‘Er is de afgelopen decennia veel veranderd voor boeren’, zegt Jeroen Candel, universitair docent landbouwbeleid aan de Wageningen University, als we hem vragen naar de bron van de onvrede. ‘Lang had de landbouw een bijzondere positie in de economie. Dit zogenaamde exceptionalisme betekende dat de sector grotendeels buiten de reguliere markt werd gehouden. Met een eigen ministerie, een eigen beleid, en beslissingen die werden genomen in ruggespraak met topmannen uit de sector.’

Aan die periode komt langzaam een einde. ‘Er wordt steeds meer verwacht van boeren. Ze moeten tegenwoordig zorgdragen voor het landschap, de biodiversiteit en het milieu. Plots zijn er allerlei andere groepen die ook mee mogen beslissen over het boerenland, zoals milieuorganisaties en burgerbewegingen’, zegt Candel. ‘Dat wringt. Voor boeren voelt het plots alsof ze niks meer goed doen, terwijl ze precies opgevolgd hebben wat er in de tijd van het exceptionalisme van ze werd verwacht.’

Ontvang dagelijks onze nieuwsbrief
Onafhankelijk en onbevreesd. Sinds 1877.

E-mailadres
Volgens Candel is de omslag nog maar net begonnen: ‘In de bestuurskunde spreken we van de hypothese van het post-exceptionalisme – het is nog niet echt zover. Landbouw heeft natuurlijk nog steeds een eigen minister, en de landbouwlobby in Brussel blijft een van de sterkste. Maar als de transitie doorzet, staat boeren nog veel meer bemoeienis te wachten in hun werk.’ Ook Ron Methorst, docent en onderzoeker omgevingsgericht ondernemen aan de Aeres Hogeschool in Dronten, ziet in de veranderende machtsverhoudingen een belangrijke oorzaak van de onvrede. ‘Lang werd de landbouwpolitiek gedomineerd door het zogenaamde Groene Front, een samenspel van ambtenaren met een achtergrond in de agrarische sector, Kamerleden die met een been nog op de boerderij stonden, en boerenorganisaties als de LTO die het beleid in de gewenste richting wisten te drukken.’ Vanaf de Tweede Wereldoorlog tot het eerste Paarse kabinet in 1994 kwam de minister van Landbouw altijd van CDA-huize, en die was boeren traditioneel goed gezind.

Eind jaren tachtig brokkelt het Groene Front af, en de veranderingen die sindsdien plaatsvonden trekken een zware wissel op het individuele boerenbedrijf. De afgelopen maanden bezochten wij jonge boeren door het hele land, en terugkerend onderwerp van gesprek was de oplopende regel- en eisendruk. Zo worstelt zowel akkerbouwer Michiel van Andel uit Emmeloord als Jan Dirk Tonkes uit Zeewolde met het verdwijnen van meer en meer bestrijdingsmiddelen uit hun gereedschapskist, omdat de maatschappij pesticidenvrije landbouw wil. ‘Door de Fipronil-crisis in de kippenhouderij, waarbij het middel in consumptie-eieren terechtkwam, is het product verboden. Dat betekent dat ik mijn uien steeds moeilijker kan beschermen tegen vraat van insecten’, zegt Van Andel. ‘Ik zie om me heen meerdere boeren teruggrijpen naar oude middelen, die minder duurzaam zijn.’

Voor Tonkes is het verbod op de zogenaamde neonicotinoïden problematisch voor zijn suikerbietenteelt. ‘We gebruiken dat als coating om de zaden heen, om ze te beschermen tegen vraat van kevers en luizen, maar dat mag niet meer. Bij mij lijkt het dit jaar goed te gaan, maar er zijn meerdere boeren die hun velden al overgezaaid hebben omdat de bieten te veel aangevreten waren.’

Tonkes loopt ook te hoop tegen de onbetrouwbaarheid van de overheid. Volgens hem beloofde die de suikerprijs te dempen, aan de bovenkant ter bescherming voor afnemers, aan de onderkant voor de boeren. ‘Maar bij de lage prijzen afgelopen jaar gaf de overheid niet thuis. Toen zei ze: het is nu eenmaal de vrije markt.’

Op een soortgelijke manier fulmineerde de vooruitstrevende kippenboer Johan Leenders op Twitter tegen de plannen van minister van Landbouw Carola Schouten (CU) om productierechten van boeren af te pakken als de mestproductie te hoog wordt. Die productierechten zou Leenders vanwege zijn duurzaamheid eerst krijgen van de overheid, toen moest hij ze toch kopen, tegen een hogere prijs dan de marktwaarde, en nu zou hij ze zomaar kwijt kunnen raken, net nu hij ze heeft afbetaald.

‘Het is vaak ongelooflijk wat de boeren over zich heen krijgen’, zegt Herman Lelieveldt, politicoloog aan het University College Roosevelt en auteur van het boek De voedselparadox, waarin hij onderzoekt waarom de verduurzaming van ons eten zo moeilijk is. ‘Onlangs was ik bij een bijeenkomst van de zuidelijke tak van LTO, waar aanwezigen werden geïnstrueerd over nieuwe eisen aan hun spuitkoppen, waarmee bestrijdingsmiddelen over het land worden uitgespoten. Om drift, het uitwaaien van middelen naar aanpalende velden te voorkomen, moesten die worden aangepast. Maar die aanpassingen zijn vaak behoorlijk kostbaar, van boeren wordt verwacht dat ze zo even duizenden euro’s investeren. En de boeren zitten overal vooraan: ze gebruiken ook veel energie en worden daar dus ook niet ontzien. En dat in een sector waar het hard werken is voor weinig geld.’

‘In het verleden gingen boeren soms creatief om met regels. Beleidsondermijnend’
Zo bezien is het niet gek dat boeren hun onvrede richten op de milieuorganisaties en partijen als GroenLinks en de Partij voor de Dieren. Immers, sinds zij aan tafel zitten, is het leven voor hen moeilijker geworden. Toch is het volgens Candel en Lelieveldt te simpel. ‘Veel van de huidige problemen in de landbouw zag je al van mijlenver aankomen’, zegt de eerste. ‘Maar de overheid voert alleen maar reactief beleid. Pas als er een crisis is, handelt ze.’ Lelieveldt voegt toe: ‘VVD en CDA hebben de boeren de afgelopen jaren uit de wind gehouden, waardoor ze nu met de rug tegen de muur staan.’

De huidige stikstofcrisis, waarbij de Raad van State het Programma Aanpak Stikstof (PAS) onwettig achtte, is niet meer dan een nieuwe loot aan een oude boom. ‘Verschillende kabinetten achtereen wisten dat het huidige beleid niet afdoende was om de natuur te beschermen tegen een overmaat aan stikstof uit de landbouw en de industrie. Dat concludeerde de Commissie voor de milieueffectrapportage al in 2011 en 2012. Hoe is het mogelijk dat er dan geen plan B paraat ligt?’ vraagt Candel zich af.

Een ontluisterende reconstructie van het PAS-debacle in Trouw liet onlangs zien dat een van de architecten van het huidige beleid, Henk Bleker (CDA), in 2011 staatssecretaris van Economie, Landbouw en Innovatie, meerdere malen gewaarschuwd werd voor de ontoereikendheid van het beleid. Hij weigert zich te verantwoorden voor zijn keuze destijds. Deze week onthulde de Volkskrant dat het huidige ministerie van Landbouw verscheidene signalen negeerde dat het PAS-beleid op instorten stond, en geen maatregelen nam om zich op een negatieve uitspraak van de rechter voor te bereiden.

Dit soort kop-in-het-zand-politiek is al decennia gemeengoed. ‘In de jaren negentig was er de BSE-crisis, waarbij koeien die diermeel aten besmet raakten met de gekkekoeienziekte, die bij mensen de dodelijke ziekte van Creutzfeldt-Jakob tot gevolg had. De link tussen het eten van besmet vlees en de hersenziekte werd maandenlang ontkend, met als dieptepunt de Engelse landbouwminister John Gummer, die zijn dochter voor de camera een hamburger liet eten: zie je wel niks aan de hand’, zegt Candel. Ook het verband tussen geitenhouderijen en Q-koorts, een ziekte die begin deze eeuw opdook in Brabant, werd lang ontkend door verantwoordelijke CDA-ministers Gerda Verburg (Landbouw) en Ab Klink (Gezondheidszorg). Economische kortetermijnbelangen van de boeren gingen voor de gezondheid van de bevolking. In november afgelopen jaar, tien jaar na de crisis, werd het officiële dodental van de ziekte op 95 gesteld.

Nog een voorbeeld: de fosfaatproblematiek. Toen in 2015 het Europese melkquotum eraf ging, en boeren vrij waren om zoveel te leveren als ze wilden, adviseerden politiek en LTO boeren om hun veestapel uit te breiden, om de wereldmarkt te veroveren. Totdat Brussel tussenbeide kwam: meer vee betekent meer mest, en daar heeft Nederland de zogenaamde fosfaatrechten niet voor. ‘De regelgeving bestaat al jaren en kon echt voor niemand een verrassing zijn’, zegt Candel. ‘En toch adviseert een boerenlobbyorganisatie dan om uit te breiden. Nu zitten boeren met lege nieuwe stallen en verloren investeringen, omdat er alleen maar op korte termijn wordt geregeerd.’

Het meest uitgesproken voorbeeld van struisvogelpolitiek is het mestbeleid. Dat moddert al veertig jaar voort, zonder dat er harde keuzes worden gemaakt. In de jaren na de Tweede Wereldoorlog groeit de veestapel van Nederland enorm, vooral die van kippen en varkens. Dat leidt tot een overschot aan mest, met stankoverlast en milieuproblematiek tot gevolg. Al in 1984 komt landbouwminister Gerrit Braks (CDA) met plannen om de groei te stoppen, maar zijn Interimwet beperking varkens- en pluimveehouderij haalt weinig uit. Staand beleid, zoals de WIR-regeling uit de jaren zeventig, die investeringen in mechanisatie en gebouwen voor schaalvergroting aantrekkelijk maakt, blijft bestaan. In plaats van in te krimpen, groeit de varkensstapel tussen 1984 en 1987 hierdoor van negen naar veertien miljoen stuks.

Tijdens de Paarse kabinetten in de jaren negentig leek het tij te keren tegen de boeren. ‘Als het CDA de verantwoordelijke minister leverde, gebeurde er nooit iets van betekenis. De enige twee ministers die de afgelopen drie decennia wat probeerden te veranderen waren Jozias van Aartsen van de VVD en Laurens Jan Brinkhorst van D66, die in de opeenvolgende Paarse kabinetten de landbouwpost in handen hadden’, zegt Lelieveldt. Zij stelden landbouwnota’s op, zonder daarbij de sector te consulteren, dat was uniek en kwam ze op grote weerstand te staan. Saillant detail: Tjeerd de Groot, de man achter de plannen om de veestapel te halveren, was destijds politiek assistent van Brinkhorst. >

Er wordt in die tijd ingezet op stevig zoneringsbeleid: er komen extensiveringsgebieden rond dorpen en natuurgebieden, waar geen plaats meer is voor intensieve veeteelt, en speciale landbouwontwikkelgebieden waar ze wel mogen uitbreiden. De overheid zet regelingen in om niet goed gesitueerde bedrijven te overtuigen te stoppen of voor verplaatsing te kiezen.

Maar zodra het CDA in 2003 weer aan de macht komt, is het gebeurd met de strenge nieuwe regels, schrijven landschapsadviseurs Hans Bleumink en Harry te Riele in 2016 in hun Historische lijnen en de mestdialoog. Toenmalig landbouwminister, de CDA’er Cees Veerman, wil geen rijksgeld meer inzetten voor de regelingen en verruimt, mede onder druk van het landbouwbedrijfsleven, de groeimogelijkheden in 2003.

‘Tjeerd de Groot zei: “Jongens, dit is het. Woningen of stallen.” Heel on-Nederlands’
Gerda Verburg, landbouwminister in 2007 en ook CDA’er, zaagt de stoelpoten onder het zoneringsbeleid nog wat verder door. In de eerste plaats suggereert ze dat als de veehouderij mest goed weet te bewerken, bijvoorbeeld door vergisting, ze op termijn weer kan groeien, op alle plekken. Daarnaast maakt ze het verhandelen van mestproductierechten over gebiedsgrenzen heen mogelijk, waardoor schaalvergroting makkelijker wordt. Uiteindelijk verdwijnt onder CDA’er Henk Bleker, de architect van het PAS-beleid, de regelgeving in zijn geheel, en mag de varkenshouderij overal weer groeien. Totdat er zich dit jaar weer een crisis aandient: die van de stikstof.

Ook de huidige CDA-fractie durft geen keuzes te maken. ‘Kamerlid Jaco Geurts gaat nu zo ver dat hij de feiten ter discussie gaat stellen’, roept Lelieveldt verontwaardigd uit. Geurts vroeg zich in de week na de eerste grote boerendemonstratie hardop af of het RIVM-model, dat gebruikt wordt om uit te rekenen waar stikstof vandaan komt, wel juist was. Lelieveldt: ‘Dat zijn echt Merchants of Doubt-achtige strategieën – dat je dat doet als politicus vind ik zeer ernstig. Hij moet gewoon de feiten onder ogen zien. Anders kun je het nergens meer over hebben.’

Jeroen Candel typeert het gebrek aan daadkracht van de afgelopen veertig jaar als overheidsfalen. ‘Er is decennia te weinig sturing geweest vanuit de overheid, die stelde zich almaar terughoudend op en maakte geen keuzes’, zegt hij. De oorzaak daarvan is ideologisch: in de jaren tachtig komt het neoliberalisme op en gaat er een golf van privatisering van publieke diensten en decentralisatie van hoge naar lage overheden door de wereld. ‘De rol van de centrale overheid wordt steeds kleiner, en langetermijnplannen verdwijnen’, zegt Herman Lelieveldt.

Dat het neoliberalisme nog steeds de dominante ideologie is binnen de landbouwpolitiek, blijkt uit een analyse van uitspraken van landbouwministers deze eeuw. ‘Minister na minister stelt dat de oplossingen voor de problemen moeten komen uit de markt en de sector’, zegt Candel.

Zo stelt Cees Veerman in een visiedocument uit 2005: ‘Een belangrijke wijziging is wel dat de ondernemers in de sector, nog meer dan in het verleden, zelf het voortouw moeten nemen. De overheid zal daarin een minder geprononceerde en minder leidende rol vervullen.’ Vergelijk dat met Henk Bleker in een Kamerbrief uit 2011: ‘De insteek van het kabinet is niet om, bovenop wat al door de betrokken partijen in ketenbrede initiatieven is afgesproken, weer een nieuwe set afspraken te maken. Belangrijk is dat de ketenpartijen zelf de regie voeren en verantwoordelijkheid nemen voor de transitie naar een toekomstbestendige en maatschappelijk gewaardeerde veehouderij.’ En met de laatste paragraaf van het visiedocument van de huidige CU-minister Schouten: ‘Het leggen van verbindingen tussen alle partijen die bij de omslag naar kringlooplandbouw een rol hebben, is de sleutel tot succes. Het is zeker niet alleen de overheid die gaat bepalen wat gaat gebeuren. De verbindingen komen tot stand als we, vanuit vertrouwen in en respect voor elkaar, rekenschap geven van ons handelen.’

‘Al vijftien jaar zegt de overheid hetzelfde: boeren en de voedselketen eromheen moeten het zelf oplossen. Maar zonder precies te weten waarheen te bewegen, is dat erg moeilijk voor de sector’, zegt Lelieveldt. Voor individuele boeren is de meest voor de hand liggende weg uitbreiding, om het eigen inkomen maar veilig te stellen.

Ook in de Europese Unie is het geloof in de vrije markt dominant geworden, ten nadele van de Nederlandse boer. Traditioneel beschermde Europa zijn agrariërs door tariefmuren op te werpen voor de import van producten van elders. Om de concurrentie niet te verliezen van bijvoorbeeld Amerikanen, die goedkoper konden produceren door de enorme omvang van hun percelen, of van Braziliaanse boeren, die aan minder milieu-eisen hoeven te voldoen, moesten zij importheffingen betalen bij de grens. ‘De afgelopen decennia zijn die tariefmuren stuk voor stuk afgebroken’, zegt Candel. Meest recente voorbeeld: de mogelijke Mercosur-deal, een vrijehandelsverdrag tussen Zuid-Amerika en de Europese unie, die vooral gaat zorgen voor de import van goedkoop koeienvlees, geproduceerd met minder dierenwelzijnseisen. ‘Eerder waren er al de discussies over het TTIP-verdrag met de Verenigde Staten, en CETA, met Canada. Het wordt voor Nederlandse boeren, die opereren op de duurste grond, met strenge eisen, zo steeds moeilijker om te concurreren.’

‘In Nederland is er weinig weerstand tegen dit soort verdragen, omdat wij als handelsnatie denken te profiteren van meer vrije handel’, zegt Candel. Dat was vroeger wel anders: Sicco Mansholt, de grote man achter de modernisering van de landbouw na de Tweede Wereldoorlog, vocht stevige, vaak succesvolle gevechten met de voorloper van de Wereldhandelsorganisatie (WTO), de GATT. Mansholt stond erop de Nederlandse graanboeren te beschermen tegen goedkope import uit de Verenigde Staten, terwijl de WTO de grenzen open wilde gooien. ‘Nu zijn linkse partijen de enige die amok maken tegen de verdragen, zij lijken in te zien dat het moeilijk wordt om te verduurzamen als je de landbouw volledig aan de internationale vrije markt overlaat.’

In andere landen is de weerstand groter. Zo dreigt het Ierse parlement de deal te blokkeren als Brazilië de duurzaamheidseisen niet opschroeft en de Amazone niet beter beschermt. Ierland is in Europa een belangrijke producent van vlees. Ook de Franse president Emmanuel Macron verzet zich tegen de deal. Hij weigert zijn boeren te offeren om de export van BMW’s en Mercedessen vanuit Europa te stimuleren, zo stelt hij.

Hebben de boeren zelf dan geen enkele schuld aan de situatie? Dat gaat Ron Methorst te ver. ‘In het verleden gingen boeren soms creatief om met regels, zonder dat er echt op gecontroleerd werd. Beleidsondermijnend gedrag was de norm’, zegt hij. Er was nauwelijks controle op bijvoorbeeld de mestwetgeving, concludeerde ook Jaap Frouws in zijn proefschrift over de mestproblematiek uit 1994. Dat had illegaal uitrijden op het veld, of dumpingen in waterwegen tot gevolg. Het leverde het imago op van een sector die niet te vertrouwen is.

Hoe nu verder? Alle drie de experts zijn het erover eens dat de overheid de regie weer meer moet overnemen. ‘De oorspronkelijke nota van Schouten was uitzonderlijk’, zegt Lelieveldt. ‘Met kringlooplandbouw leek ze een fundamentele keuze te maken voor een ander soort landbouw. Helaas krabbelt ze in haar uitwerkingsvisie alweer terug, en wil ze iedereen tevreden houden. Ik ben mijn vertrouwen wat verloren.’

Lelieveldt heeft ook waardering voor het lef van Tjeerd de Groots plannen voor halvering van de veestapel. ‘We praten al decennia over hetzelfde probleem, steeds vanuit een andere invalshoek. De Groot heeft als een surfer gewacht op de perfecte golf. Die kwam in de vorm van de stikstofcrisis en toen heeft hij gezegd: “Jongens, dit is het. Woningen of stallen.” Het is heel on-Nederlands om dat zo scherp te stellen, maar het was wel nodig. Het beleid van CDA en VVD is wat we in de politicologie muddling through noemen: doormodderen en nooit echt het fundament aanpakken.’ Wat dat betreft volgt De Groot het voorbeeld van Mansholt, die tegen boeren zei: voor een groot deel van jullie is er geen toekomst. Nu wordt hij als held gezien, maar er waren ook toen flinke boerenprotesten. ‘Maar je zit niet in de politiek om vrienden te maken’, besluit Lelieveldt.
— Lees op www.groene.nl/artikel/de-problemen-zag-je-van-mijlenver-aankomen